Woorden en reflecties
Naast zijn beeldende werk schrijft Rudic Leysen ook korte essays en reflecties.
Deze teksten verkennen thema’s zoals natuur, perceptie, bewustzijn en de zoektocht naar betekenis achter wat we zien.
Voorwoord
Van mijn moeder, die bij wijlen streng uit de hoek kon komen, kreeg ik naast het schildertalent ook het talent om te schrijven. Vandaag voel ik een grote behoefte haar daarvoor te danken, al ben ik daar eigenlijk een beetje laat mee. Zij ging immers lang geleden over naar haar thuis, in 1983 om precies te zijn. Zij was toen amper 57 jaar oud.
Zelf schreef zij artikels in een maandelijks tijdschrift gewijd aan cactussen en succulenten. Niet zo vreemd wanneer je weet dat er in die jaren een hele vereniging bestond van liefhebbers hiervan: De Cactusvrienden, gevestigd in Antwerpen. Daar was zij een onmisbare kracht.
Mijn eigen schrijven ontplooide zich pas jaren later, op een moment dat mijn aandacht meer naar levensbeschouwelijke vragen ging. Die zoektocht begon met een periode van inkeer.
Vandaag herwerk ik met plezier een vijftigtal verhalen die ik schreef in 2003 en 2004. Niet alle zullen hier verschijnen; sommige voelen voor mij vandaag te licht of te vrijblijvend. In hun plaats zullen er wellicht nieuwe ontstaan.
Deze kortverhalen draag ik daarom op aan mijn moeder. Zij was een sterke, idealistische vrouw met vele talenten. Ik ben dankbaar dat zij mijn moeder was.
Dank u mama, voor het leven dat je met ons hebt gedeeld. Je hebt ons veel gegeven.
Kortverhalen
Alemeria
Op een avond in mijn slaapkamer. Ik weet nog goed hoe het gebeurde. Ik had net mijn pyjama aan en wou het bed instappen. Plots kwam er een engeltje voor mij staan. Ik schrok. Zoiets verwacht toch niemand? Of droomde ik al?
In geen tijd was ze heel duidelijk te zien. Ze gaf licht, veel licht. Ze had een gouden gezichtje en witte vleugels om zich heen geslagen. Ja, mooi was ze wel. Ze zette zich vlak voor mij op de rand van het bed. Ik kon er niet langs.
Lieve meid, zo begon ik, wie ben jij?
Ze glimlachte alleen maar terwijl ze me aankeek.
Uit welke hoek kom je zo snel en wat kom je hier doen?
Weer zei ze geen woord. Droomde ik misschien? Het engeltje knikte van nee.
Oei, dan zitten we met een probleem. Jij ziet er wel heel anders uit dan onze meiden, vind je zelf ook niet?
Het engeltje knikte van ja.
Geef me wat tijd om dit alles te begrijpen, wil je?
Je ziet mij, antwoordde ze, zonder haar lippen te bewegen.
Hé, je praat! Maar niet zoals wij… Je bent zo anders, met dat gouden gezichtje en die witte vleugels. Je lijkt sprekend op een engel, zo één van uit de sprookjes.
Ze grinnikte en trok met haar schouders.
Ik herpakte mij.
Verschoning, maar je zit eigenlijk wel op mijn plaats. Waar jij zit trek ik meestal mijn sokken uit. Dat is het laatste wat ik doe alvorens ik in bed stap. Mag ik even gaan zitten? Dan kan ik verder met wat ik bezig was.
Ze gleed opzij en ik zette me naast haar neer. Ik keek haar aan terwijl ik de eerste sok in de hoek gooide. Nog steeds een beetje argwanend. De tweede sok ging dezelfde weg.
Zo, dat is dat, zei ik, gewoonlijk leg ik me nu te slapen.
Maar ik bleef haar aankijken. Haar gezichtje straalde warm. Maar toch… om eerlijk te zijn was ik er niet zo gerust in. Wat kwam ze hier eigenlijk doen? Ik verwachtte dat ze nu wel snel zou verdwijnen. Na mij een nachtzoen gegeven te hebben natuurlijk. Toen stond ze op en ging voor me staan. Haar vleugels wiekten daarbij heen en weer. Nu zag ik pas hoe écht mooi ze was. Om haar hoofd glinsterden kleine lichtjes. En haar jurk geurde naar roosjes. Met haar vleugels waaide ze een zoete warmte naar me toe. Daarvan schrok wel even omdat ik dat niet verwacht had. Wat was ze van zin? Was ik nog mezelf? Ik begreep dit niet.
Ga je weg, vroeg ik vertwijfeld?
Nee, ik ga niet weg, ik ben hier om je wat te laten zien.
Ze opende haar vleugels wijd open en hief toen haar hoofd op. Ik keek mee en zag boven haar een andere ruimte ontstaan. Dat was duidelijk niet meer mijn kamer. Dat was ruimte. Steeds hoger en hoger konden we kijken, als in een grote koker.
Hoever kun je zo gaan, vroeg ik haar?
Tot in de oneindigheid, was haar antwoord. Kijk nu eens naar je voeten, zie je die veders?
Ik keek omlaag. Inderdaad zag ik aan mijn enkels mooie witte vleugeltjes groeien.
Verbaasd vroeg ik: hoe komen die daar?
Ze ontstaan vanzelf wanneer je in deze ruimte kijkt.
Ik keek weer naar boven en zag de mooiste dingen. Heel veel sterren, planeten, werelden, nevels en meer van dat.
Wil je met me mee? Of ga je liever slapen.
Ik moet eigenlijk vroeg op, stelde ik, mijn plicht roept mij. Is het een lange reis?
Tijd bestaat hier niet, antwoordde ze. Als je wil kom je op dit zelfde moment weer terug. Doen?
Met die prutsen van vleugeltjes zeker, terwijl jij er grote hebt.
Het engeltje lachte.
Ik neem je mee onder mijn vleugels.
Oké, ik ga mee, maar zorg ervoor dat ik de weg terug vind.
Je weet zelf de weg terug, geloof me maar. Kijk met mij mee naar boven, dan vertrekken we.
En zo begonnen we stilaan de ruimte in te glijden. Steeds hoger ging het. Het viel me op dat er nergens kou was, ook al wapperde mijn pyjama als gek. We hadden al een flinke snelheid toen de blauwe hemel verscheen. De vleugeltjes aan mijn voeten deden hun best. Ze trilden net zoals die van kolibries doen. Een heel mooi landschap begon zich nu te vertonen.
Fantastisch zeg! Waar zijn we nu?
We vliegen door de eerste hemel, kijk maar goed.
Wauw! Zei je ‘de eerste’? Komen er dan nog? Hoeveel zijn er eigenlijk?
Zeven, antwoordde het engeltje.
Haar gouden gezichtje schitterde in de zon. Haar witte vleugels zeilden verder open. Hier was ze blijkbaar thuis, ze wuifde naar iedereen die ze tegenkwam. En ja, de hemelen werden mooier en mooier. We vlogen van de ene in de andere. Tot we in de zevende kwamen. Daar streken we neer in het zachte gras.
Oef, was dat vliegen zeg!
We hebben niet echt gevlogen hoor, antwoordde ze,
Hoezo, nee? En mijn enkelvleugeltjes dan? En die grote van jou?
Dat zijn maar symbolen die je zelf bedenkt om het begrijpbaar te maken. We zijn de verschillende dimensies doorgegaan. Eigenlijk zijn we nog steeds vlak bij je bed.
Wat zeg je?
Niet aan denken, waarschuwde ze vlug, anders ben je daar zo weer.
Oh, zit het zo! Het is hier zo fijn dat ik hier niet meer weg wil.
Ja, dat voel ik wel, zei ze. Daarnet zei je nog dat je plicht je riep.
Plicht? Pfff…. Zo dwingend is die ook weer niet.
Gelijk heb je, zo is het ook. Het is alleen maar een spel dat je daar speelt. Een soort van toneel, compleet met scenario en acteurs en decors. En je vindt dat best spannend en leuk om te spelen. Jullie doen dat heel serieus, soms een beetje té serieus. Soms voelt het aan als treurig of zelfs ronduit triest. Soms gaat het om venijnige tegenstellingen waaruit je dient te kiezen. Uit vrije wil, tenminste als je die niet verkocht hebt aan anderen. Je kiest al dan niet bewust de ervaring die je wilt gaan. Ook al heb je niet door dat ze voor jou nuttig is. Ook al is het via een omweg. Maar je wordt er wel beter van, bewuster, meer mens, beter mens.
Oh, die manier!
Kijk, als je zin hebt om wat te slapen kun je dat hier ook.
In dat hemelbed daar?
Het verbaasde me dat er zo plots een prachtexemplaar verscheen.
Wil je het niet eens proberen?
Dat lijkt me wel wat, ja. Vooruit, ik gooi me er even op.
En met een sierlijke duik kwam ik op het zachte bed terecht. Tegelijk vlogen er honderden rozenblaadjes in het rond.
Oh, wat een heerlijke geur! Ja, hier zal ik goed kunnen slapen.
Ik betastte vol genot het heerlijke bed.
Mag ik?
Natuurlijk, zei het engeltje en hielp me met de lakens. Tenminste, er ontstonden ineens lakens, uit het niets. Ze zei toch dat het zo werkte. Ik begon het te kennen.
Lig je lekker?
Hmmm! Ik knikte.
Slaap maar eens lekker door.
Ja, als ik me maar niet verslaap, morgen moet ik terug naar de baas.
Maak je maar geen zorgen, suste het engeltje.
Toen kwam ze heel dichtbij. Ze beroerde m’n lippen met haar honingzoete mond. Mijn ogen konden toen niet verder open. Een kus van een engel, niet te geloven!
Zeg eens, hoe heet je eigenlijk?
Glimlachend zei ze, mijn naam is Alemeria.
Alemeria! Allemachtig, wat een mooie naam. Ik gleed wat dieper onder de lakens, haar nog steeds aankijkend. Het hemelse bed knuffelde m’n lieve lijf. En het duurde niet lang of ik sliep…
Trrrt! Trrrt! De wekker snerpte.
Verdorie, spelbreker!
Ik richtte me op en gaf hem een dreun. Ik zuchtte diep. Oh, waarom ik? Daar zat ik nu rechtop met verwarde haren. Ik staarde voor mij uit. Had ik dit alles gedroomd of was het echt? Dat engeltje met het gouden gezicht! Waar was ze gebleven? Ik keek rond maar zag niets meer van dat alles. Oh ja, die kus! Was ik niet in de zevende hemel? Neen, het enige wat ik zag was de zevende kamer van het huis. Ik had ze zelf zo genummerd, jaren geleden. Verdorie nog aan toe! Ik zuchtte diep.
Toen kwam dat heerlijke gevoel in mij terug naar boven. Ik genoot ervan, een beetje stiekem. Even later besloot ik dan toch maar op te staan. De baas wachtte immers op mij. Ik zette mijn voeten op de houten vloer en vond mijn sokken in de hoek.
De volgende dagen dacht ik nog dikwijls terug aan het engeltje. Iedere avond verwachtte ik haar op de rand van mijn bed. Maar ze kwam niet meer weer. Toch vond ik dat niet zo erg. Ze had mij immers iets heel moois gegeven. Iets wat ik nooit en nergens ter wereld zou gevonden hebben. Ik voelde me zo blij dat ze mij dat gegeven had. Maar bovenal…. Omdat ik daardoor een ander man was geworden.
Apocalyps
Zwevend boven het nieuwe schip
Voor hen daar beneden eindeloos groots
Voor hen voelde het de enige god, tastbaar echt
Ze hoorden macht in het staal weergalmen
Grote opwinding op de dag van vertrek
Velen verdrongen zich als mieren
Proevend van de eer en glorie
Hunkerend naar het land ver weg over zee
Het logge schip trilde en zette zich in beweging
Bovendeks tumult en vreugde van dolle mensen
Hun krachten bundelend tot één gedachte
Onoverwinnelijk is de macht van staal en stoom
Zwevend met hen mee terwijl de avond viel
Poëtisch mooi, zo krachtig als een rots
Splijtte het schip het heldere water
Ongehinderd zich richtend op zijn verre doel
Van binnen lichtte het schip met heldere lantaarns
Muziek weerklonk tegelijk met lach en dans
Uitbundig genot, oh dat klein menselijk geluk
Door bedwelmende wijn opgewekt
De nacht viel en niets hield hen tegen
Van juichen en drinken, van alles teveel
Met gespreide armen op de boeg in trance
De illusie te zweven in de koele avondwind
…
Plots verschrikking voor een witte schim
Opdoemend in de verte met mateloze dreiging
Onbewust voor zij die speelden benedendeks
Door vermaak bespeeld in de roes van overvloed
Aarzeling en dan een snelle keuze
Helaas te laat genomen, verwrongen door angst
Niets meer kon het schip doen wijken
De ijsreus, monsterlijk en tartend vlug nabij
Een diep gebrul als van een doorstoken draak
De stalen buik van de god kraakte open
Meedogenloos gekerfd, gekwetst tot in de ziel
Een niets ontziende slag van donderend lawaai
Langzaam tuimelde het schip naar voren
Zoog gulzig water op en kreunde van pijn
Het feest ging door voor velen, anderen verstarden
Hun gedachten groeide, wij zijn verloren
Reddingsboten zegen neer slechts half gevuld
Krijsende mensen, ruzie en angst, walgelijk hard
Wanhoop bij velen, ongeloof bij anderen
De dood bij enkelen al diep in de ogen
Daar beneden mij verloor de god zijn kracht
En brak het geloof van hen die zich waanden
Als koningen of meesters in hun kleine lijf
Wanhopig gekerm en gehuil weerkaatsten overal
Vuurpijlen spuwden zich de nacht in
Verblindend, schimmig spetterend op de witte muur
Die zich keerde nog geen halve graad
In onschuld zich niet bekommerend om het treffen
Steeds dieper ging de stalen neus ten onder
Waar leven in een onvoorziene dood stikte
De sloepen deinden weg uit angst verzwolgen te worden
Door het zog van de god die verdronk
Het achterschip klom hoog boven het zwarte water
Scheurde met huilend gekerm het schip doormidden
Zeeg weer neer en sloeg drenkelingen met de dood
Tierend naar God, dan zwijgend als vermoord
Vechtende lichamen, zo verhard als ijs
Vluchtend voor niets dan de wurgende dood
Werden geholpen door hen die hun plaats afstonden
Om zichzelf de dood te gunnen, weg van onzinnig leven
De achtersteven zonk weg met luid gesis
Sneller dan de boeg verdween het in zijn donker graf
Sleurde het laatste licht naar de koude hel
De reus was verslagen, ter verdoemenis van zichzelf
De overlevenden krijsten huilend nog lang nadien
Roepend om hulp naar wie het horen kon
De doodsangst voelde te nabij om nog iets te durven
Waanzin scheurde hen open om hun wereld, die stierf
…
Lichtende gestalten verschenen en hielpen de zielen
Sloten hun ogen om niet meer te zien
Hoe vriend en familie hapten naar leven
Hun stem verstommend op weg naar lichtere oorden
De lichtwezens, mijn broeders, hielpen nog velen
Leidden hen weg ter ruste naar zachter velden
De sloepen wachtten met overlevenden, blauw en gek
Ze baden God ter redding van hun versteven leden
De ijsberg was gevlucht, de stalen god verdwenen
Sloepen werden opgepikt, lijken verzameld en geteld
Alleen die ene daar beneden mij, onberoerd verdronken
Vermist en nooit gevonden, werd vergeten voor altijd
Ik daalde langzaam neder en kwam hem naderbij
Ja, hij was het die ik beminde, hij als deel van mij
Nog even dwaalde zijn geest na wanhopig zoeken
En gaf toen zijn ziel terug aan mij.
???
Iedereen kent dit trieste verhaal. Ergens gelezen, er over horen vertellen of opgesoupeerd gekregen in verschillende films, series, documentaires en bergen literatuur. Van het goede te veel misschien? Mijn vader had een leesboekje waarin het werd verteld. Ik vond het een keer in een lade. De gravuretekening van het half gezonken schip tartte mijn zinnen. Ik was toen amper dertien jaar. Ik heb nooit de in 1997 uitgebrachte film van James Cameron willen zien. Ik gruwelde ervan.
Maar is dit verhaal van de Titanic het echte verhaal? Is het geen vervalsing van wat er werkelijk gebeurd is? Gemanipuleerd? Er bestaat een complottheorie die het niet lang heeft uitgehouden op het internet maar die ik wel heb kunnen lezen. Onder welke druk verdween die theorie zo snel?
De White Star Line had drie sterk op elkaar gelijkende schepen: de Olympic, de Titanic en de Gigantic (later de Britannic). Op een paar details na waren alle drie gebouwd volgens hetzelfde ontwerp. De Olympic was het eerst klaar in 1911. Hij kreeg verschillende tegenslagen te verwerken en had op zijn vijfde reis zelfs een aanvaring waardoor hij onbetrouwbaar werd geacht. De complottheorie stelde dat de namen van de Olympic en de Titanic werden verwisseld nog voor de Titanic zijn eerste reis had gemaakt. De nieuwe Titanic (voordien de ongelukkige Olympic) werd verzekerd voor 7 miljoen pond, in die tijd een gigantisch bedrag. Op zijn eerste reis verongelukte het schip door de aanvaring met de ijsberg. Op zich al vreemd. Maar wat er volgens de complottheorie werkelijk gebeurde was dat het schip werd getorpedeerd nadat het bewust stil werd gelegd. Een zwakke plek in de romp was voorzien. Een koud kunstje ergens ver in de Atlantische oceaan. Terwijl een ander schip in de buurt niet is komen helpen of dat niet mocht? Geen sprake dus van een ijsberg. De buit van de verzekering was binnen en de WSL was verlost van een onbetrouwbaar schip. Zwijggeld deed de rest.
In september 1985 zocht Robert Ballard naar het wrak van de Titanic. Er werd een documentaire gemaakt die ik op televisie heb gezien. Wat mij opviel was dat er geen enkel beeld van de stuurboordzijde getoond werd waar je de scheur(en) zou kunnen zien, veroorzaakt door de ijsberg. Op officiële schema’s van het schip wordt getoond waar de lekken zich bevonden. De eerste scheur bevond zich net onder de waterlijn. Waarom hield men die beelden achter? Het zou het ultieme bewijs geweest zijn dat de complottheorie niet klopte.
Hoe dan ook, de ondergang van de Titanic is één van de meest besproken tragedies in de geschiedenis van de scheepvaart. Maar is dat een reden om er zoveel ophef aan films, documentaires, series, literatuur, kunst enz. aan te besteden? Kwam het neer op het alsmaar herhalen van een leugen tot ze geslikt werd door de massa, generatie na generatie? Is dit alles niet één groot afleidingsmanoeuvre, een cover up operatie om te voorkomen dat er toch maar niets zou uitlekken? Een vuile streek waarbij het er niet toe deed hoeveel onschuldigen er de dood zouden vinden? Eén die bijgevolg doet vermoeden dat er naast deze nog vele andere cover up operaties zijn en zelfs nog worden gepleegd omwille van macht en geld. Nine-eleven? Het geeft in ieder geval te denken.
De brug en de bus
Als roerloze gestalten stonden we verspreid op de brug. Zwijgend. De hele omgeving was donker, haast kleurloos en kil. Zwart water kolkte onder de brug door. Dat deed me huiveren. Op de oever stond een vrouw met warme jas, papier in de hand. Eén voor één riep ze namen af. Onze namen. Haar stem sneed door de wind. Gespannen luisterden we. Maar te vlug zweeg de vrouw weer. We keken elkaar aan en wisten niet wat er volgen zou. Seconden later werd het duidelijk. Beweging en rumoer nu, haastig geloop naar de overkant waar een autobus stond, de deuren uitnodigend open. Ik wist niet wat ik moest denken, ze had me niet vernoemd! In een opwelling liep ik toch mee, geen idee waarom. Velen bleven op de brug, dat zag ik bij een laatste keer omkijken. Verstard stonden ze daar, niet in staat zich te bewegen.
Binnen in de bus was er licht, gelig warm. Het verdrong de avondlucht. Het leek wel magie. Toen we ingestapt waren liep de vrouw met de warme jas door het middengangetje. Ze keek iedereen aan en telde. Bij mij aangekomen hield ze halt. Wie ben jij?… Dit had ik kunnen weten. Ik negeerde haar en bleef strak voor mij uitkijken. Ik zou nu wel worden buiten gezet. Maar ze zei verder niets. Ze boog zich voorover en legde haar tengere hand op mijn schouder. Ze kuste m’n voorhoofd. Ik smolt en keek op. Ze stond tegen me aan en zag even haar grote donkere ogen. Kende ik haar?
De chauffeur sloot de deuren en startte de motor. Hij morrelde aan de handrem en met een schok vertrok de bus, de dageraad tegemoet.
De frisbee
Hoe het lot een vader op zijn taak wijst.
Ik had het schoteltje, op het strand, hoog de lucht in gezwierd. Volgens de regels uiteraard tegen de wind in. Op die manier verwachtte ik dat het netjes weer bij mij zou komen. Meestal was dat ook zo, of toch ongeveer. Maar met die ene worp liep het grondig mis. Ik had extra hoog gegooid, met een ferme zwaai. Mooi was het wel, dat gele schijfje tegen de diepblauwe lucht. Maar onverwacht zeilde het een andere richting uit, gegrepen door een hoge wind. Oei, ik zal moeten lopen. Het vloog over me heen, heel hoog. Ik keerde me om en zag vijftig meter verder mijn zoontje zich verblijden in een spel met potjes, pannetjes en mul zand. Ondertussen kwam het schoteltje met een vaart naar beneden. Ja, ik zag het aankomen. Ik begon als waanzinnig door het onwillige zand te lopen maar kon er onmogelijk op tijd bij. Verder lopen had geen zin. Met een droge maar duidelijk hoorbare tok plofte het onding op zoontjes’ hoofdje. Die sloeg eerst voorover en kantelde vervolgens opzij met de beentjes in de lucht. Daarbij strooide zich een waaier van zand over het ventje.
Een snijdend geluid rees op. Langgerekt en in herhaalde coupletten. Arm kereltje. Ik liep naar hem toe en probeerde hem te sussen. De met zand bespikkelde traantjes veegde ik af met mijn door zand grof geworden zakdoek. Uit zijn neusje stroomden rijkelijk dikke bellen die schitterden in de zon. Wat een leed! Hoe kon het gebeuren dat het schijfje zich zo misdragen had. Er was toch plaats genoeg om te landen? Wie was er fout? De frisbee, de wind, ikzelf of nog iets anders? Ik geraakte er niet uit. Ik pakte zoonlief op mijn arm en knuffelde hem. Dikke kusjes klonken als belletjes. Nadat hij bedaard was zette ik hem weer bij zijn speelgoed. En om hem de aanslag vlug te doen vergeten speelden we samen verder.
De zon speelde om haar vingers
Ik zat in een kerk waar geen warmte koesterde,
Waar lampenlicht het duister nauwelijks verjoeg.
Het winterse vocht sloop tussen de mensen,
Koude priemde in alle voeten,
Het deed ons rillen.
Waarom waren we gekomen,
Wie kon vertellen wat hier te vinden was,
Wist iemand hierover wat te zeggen.
Niemand…
Mensen staarden voor zich uit of keken naar hun koude handen,
In gedachten… en verdroegen het verblijf,
Voor de tijd die het duren zou.
Vooraan galmde een stem, versterkt door een microfoon,
Biddend over schuld en schuldenaren,
Dan weer zingend, eentonig en hol,
Altijd dezelfde stem voor altijd dezelfde woorden,
Hij wilde onze aandacht maar verkreeg die niet.
Niemand kon luisteren,
Al het denken was gesmoord, ieders gedachten leeg,
De afstand bleef.
En toch, mij gaf het een gevoel dat zich versterkte elke week,
Niet van vroomheid maar één door klank gevormd,
Gedragen door de stem die zong, door orgel ondersteund,
Gevoed door het lusteloze geprevel van het volk.
Hun luider snuiven, hoesten en schuifelen,
Doorsneden met het gezeur van een kind dat echode binnen de kerk,
Dat alles gekruid met wierookgeur en kaarsvet,
Gaf mij dat vreemde gevoel, nergens anders te vinden,
Stilaan vertrouwd op de plaats die eens vreemd was aan mij.
Ik leefde voort met het verworven gevoel,
En antwoordde geen gebeden meer.
Tot op een keer iets wonderlijks gebeurde,
Licht kwam schijnen vanuit één der ramen.
Het viel op een schare mensen links naast mij,
Het lokte mijn blik en ik zag warmte bloeien.
Eén zonnestraal viel op een meisje,
De zon speelde om haar vingers.
Het lieve kind genoot, haar blik gefascineerd,
Ze keerde zich verrast naar hen die haar bekeken,
En keek toen ook naar mij en glimlachte blij.
Ik lachte terug en voelde haar vreugde om wat haar overkwam,
Het beroerde al die het zagen, het gaf vrij wat erin besloten lag,
En ieder voelde het goddelijke wat de stem niet geven kon.
Ondoordacht stond ik op en liep naar het meisje,
Ze straalde met de zon om haar heen.
Ik herkende het teken als een warme genade,
Ik nam haar hand waar het licht op speelde,
En keek in haar ogen, en zei glimlachend, dankjewel.
Toen liet ik haar hand en ging naar buiten,
Ik had gezien wat ik zolang had gezocht.
Ik wist het zeker, het voelde goed, het bruiste in mij,
Het was licht, het was muziek, het was kleur en warmte.
Ik brak met zoeken in een stervend leven,
De muren doorbrekend met één armzwaai,
De dienst daarbinnen die mijn leven verstilde, verdween.
Daar stond ik dan buiten op de stoep,
De zon kleurde alles, ze straalde om mij heen.
De lucht tooide zich in koningsblauw,
Het geluid van vogels kwam naar me toe als leven.
Ik zag bloesems en het lokkend groen,
Ik verruimde mijn longen en ademde diep.
De wind streelde mij, mijn ogen laafden zich,
Voor mij wuifden bomen in de zoete ochtendlucht.
Gelukkig had alles zolang gewacht.
Aan mijn linkerkant lag een weg, nog glimmend van de regen.
Iemand nam een fiets uit het rek achter mij.
Het was het meisje uit de kerk.
Ze was nog steeds betoverend mooi, zoals tevoren.
Ze reed langs mij heen en zei vaarwel, heb veel geluk.
Nog even wuifde ze en lachte lief.
Toen reed ze verder, de horizon tegemoet.
Dodeneiland
Zeven mijlen ver in zee, in noordelijke richting, lag het dodeneiland. Het was een zwarte rots die grillig vanuit de diepte zijn kop opstak. Weerbarstig hard en niet te verslaan. Hij stond daar al sinds tijden. Bij vloed kroop het water tot aan zijn hals. Bij eb rees zijn lichaam hoog boven het water uit. Als wou hij zeggen: ik ben de heerser, ik ben de donkere macht. Wie hier komt, keert nimmer weer. Ik slok jullie leven op.
Deze gedachte leefde al zo lang bij de mensen op het land. Het was een spookbeeld overgeleverd vanuit oude tijden. Nooit werd er vrijuit over gesproken en nog minder durfde men er om te spotten. Er werd alleen maar gefluisterd wanneer de angst in hun gedachten woekerde. Iedereen huiverde en creëerde in gedachten een bijna tastbaar gedrocht. Eén die het leven naar zich toe zoog als je niet oplette. Het was de onontkoombare dood. Men verfoeide die kille plaats in verlammende machteloosheid. Zo werd de schim van het dodeneiland door hun eigen angst gevoed. Er nooit meer van terugkeren was te veel. Vissers voerden dan ook in wijde bogen om de vermeende plek heen. Ze vermeden de rots als de pest. En daarom kon niemand vertellen hoe het er eigenlijk was. Nooit had iemand hem gezien, want niemand had ooit de moed gehad erheen te varen.
Maar op een dag was er een jonge visser die, geprikkeld door al die verwarde verhalen, erheen wilde varen. Als hij zijn makkers zou gevraagd hebben mee te gaan zouden ze verschrikt: “Je bent niet goed wijs!” geschreeuwd hebben. Als hij overdag zou zijn uitgevaren dan zouden ze hem beslist tegengehouden hebben. Je moet wel gek zijn om alleen in een boot de zee op te gaan, en dan nog naar het dodeneiland! Maar een vreemd innerlijk gevoel trok hem er naar toe. Daarom besloot hij de dageraad af te wachten. Op een lenteochtend waaide de wind uit de goede richting. Hij koos de kleinste boot die er was. Met één zeil en een paar stevige roeispanen zou hij het wel klaren. Hij waagde zijn kans en was vastbesloten te gaan kijken. Hij vertrok in alle stilte. Er was net genoeg licht om veilig het haventje uit te varen. Een kompas en het zeil dat hij spande hielpen hem. Het lukte. Nu kon niemand hem nog tegenhouden. Hij wilde weten!
Na vele uren roeien kwam hij in de omgeving waar het dodeneiland vermoed werd. Hij keek om zich heen en zag het water uitgestrekt tot aan de horizon. Ja, daar in het noorden moest het zijn. In de verte zag hij het water bijna onzichtbaar overgaan in een donkere lucht. Jachtige, grauw gekleurde wolken dreven er laag over het water. Hij roeide verbeten verder. Na een tijdje hield hij stil en legde de roeispanen in zijn bootje. Hoewel de wolken driftig door de lucht joegen, bleef het zeil bijna roerloos stil hangen. Ook het water was ongewoon kalm, alleen zachte rimpels trokken er lange strepen. Het was ijselijk stil. De indringende koelte deed hem rillen. Hier kon de rots niet meer ver af zijn. Dat voelde hij. Maar zover hij kon zien, was er nergens een spoor van te vinden. Hij besloot wat te rusten. Hij legde zich neer en keek naar de wolken die grillig een weg zochten naar het noorden.
Vermoeid als hij was, sliep hij in. Een droom voerde hem mee. Beelden en geluiden kwamen in hem op. Hij droomde van het water rondom hem en hoe de wolken over hem heen vloeiden, veel dichterbij nu. Er was geen kilte en het verwonderde hem dat het bootje nu helemaal stil lag. Hij richtte zich op omdat hij een bars gekraak te horen. Wat was dat? Hij keek opzij en verstijfde meteen. Een beetje verder, in het halve duister, verhief zich het dodeneiland uit het water. Een zinderende rilling trok door zijn lichaam, als een schok bijna. Meters hoog torende de glimmende rots boven hem uit. Een hevig dreigend gevoel overspoelde hem. Nee, dit was niet zo maar een rots. Dit was een gedrocht dat zoveel angst in zich hield dat je gek moest zijn om dichterbij te komen. Alles leek doordrongen van gif. Ook de zwarte cipressen die er stonden, straalden de dood uit. Vooraan was er een trap gebouwd die naar een platform leidde. De twee brede stenen die ernaast stonden maakten deel uit van een omwalling die het voorste vlakke gedeelte omsloten. Ze stonden als sterke tanden op een bijtgrage onderkaak. Achter het vlakke gedeelte, tegen de steile wand stonden de cipressen. Hun toppen wuifden driftig in de kille wind. Overal zag hij kijkvensters in de rotswand uitgehouwen. Geen licht brandde er. Alleen een fakkel, links tegen de rotswand, joeg zijn geel licht tegen de gladde muur aan. Daarbinnen moest dus iemand zijn. Aan de rechterkant was een grote poort uit de rots gehouwen. Daar was de toegang naar de dodelijke ingewanden. Hier waren mensenhanden aan het werk geweest. Maar hoe kon dit bestaan? Wie had dit gebouwd? Welke krankzinnige geest had dit bedacht?
Nog verward door het plotse aanschouwen zag de jonge visser nu tot zijn grote verbazing een bootje komen aandrijven. Daarin stond een grote gedaante met een wit gewaad over zich heen. Hij had geen gezicht. Roerloos stond hij daar. Achter hem zat een gehurkte gestalte, de handen voor het gezicht geslagen. Willoos liet hij zich meevoeren door de witte geest. Het bootje bewoog als vanzelf. Het sleepte de roeispanen als twee slappe armen met zich mee. Het voer recht naar de rots. Daar aangekomen stapten de twee gedaanten de trap op. De dood, dacht hij, dat moet de dood zijn die iemand gehaald heeft. Die arme stakker! Daar zal hij nooit meer van terug keren. Vervolgens zag hij hoe ze de poort binnen gingen. Een oranjekleurige gloed die de hal verlichtte laaide plots op. Nog even speelde hun schaduw op een zijmuur vooraleer de zware deur weer dicht sloeg, geluidloos. Het bootje, waarmee ze gekomen waren, dreef langzaam weg. Giftig gekleurde wolken joegen nog steeds door de lucht. Veel te snel. Er heerste een klamme sfeer. De visser keek naar de rotspunt die in het midden hoog de lucht in stak. Vreemd, die had dezelfde gedaante als de witte man daarnet in het bootje. Zonder gezicht maar toch indringend kijkend naar de wijde omgeving of misschien nog verder.
Maar toen ineens, geheel onverwacht en zo snel, zette zich een klein vogeltje op de boeg van zijn bootje. Het fladderde wat met zijn vleugels en piepte vrolijk. Rrrt! Het was alweer weg. Een vogeltje! Hier? Hoe kon dat? Hij keek het na maar het was al uit zijn zicht verdwenen. Op dat moment brak de zon door de wolken. De jonge visser keek op. Een dun gelig licht bescheen zijn gezicht en het dodeneiland. Er veranderde iets, het leek alsof er iets was toegevoegd aan deze onheilspellende plaats. Kwam het door het vogeltje? Ja misschien wel. De trilling van de angst was niet meer zo intens als tevoren. Iets van de boosaardigheid ebde langzaam weg. Nauwelijks had hij dat opgemerkt of hij zag het water achter de rots zich verheffen. De vlakke zee rees geluidloos op. Zo ver hij kon zien zwol het water op, steeds hoger als een immense bult die steeds dichterbij kwam. Het dodeneiland gaat overspoeld worden, dat zag de visser aankomen. Even later, toen de waterrug hoger dan de rots was en tot vlakbij was genaderd, kwam er een zwarte figuur van tussen de bomen vandaan. Op hetzelfde moment vloog er een soort vliegend reptiel weg, die verscholen had gezeten op het linker gedeelte van de rots. De kreet die het gedrocht uitstootte ging door merg en been. Het klonk als de dood. De zwarte man liep naar de fakkel die tegen de rotswand hing en haakte ze af. Met een enkele zwaai wierp hij ze in zee. Sissend doofde het vuur en liet een groenachtige rookpluim na. Toen verdween de man weer door de poort aan de rechterkant. Vreemd allemaal, waarom zou hij dat doen? De jonge visser dacht na.
De slag was nu nabij. De visser keek toe. Hij zag het water tegen de rots aanbeuken. Met een geweldig gekraak brak die af en tuimelde voorover, de zee in. Water spatte meters hoog de lucht in. De zwarte cipressen werden mee naar de diepte gesleurd. De rotsblokken kantelden alsof het kiezeltjes waren. In geen tijd was er van de rots niets meer te zien. Zo waste de vloedgolf het dodeneiland weg. Toen zakte de grote golf weg en werd de zee weer vlak. De zon die laag over het wateroppervlak scheen werd nu veel helderder. De wolken, spookachtig gekleurd door het lage licht, werden dunner en vluchtten weg. In hun plaats klaarde een helder blauwe lucht. Alle duisternis was weggevaagd. Een helder licht scheen nu volop.
De zon brandde de visser op het gezicht. Hij werd wakker, richtte zich op en keek verdwaasd om zich heen. Hij had de tranen in zijn ogen. Hij had in zijn droom gezien hoe enorme krachten het gedrocht hadden vernietigd. Er was geen dreiging meer, geen spanning die eeuwen was gevoeld. Hij zag het stralend groene water dat zacht over en weer golfde. Hoe was dit mogelijk geweest. Hij dankte de hemel. Heel de omgeving had nu een lieflijke uitstraling. Hier en daar tuimelden vissen uit het water omhoog, vrolijk spelend. Hij genoot er van. Hij zag dat alles nu mooi en goed was en besloot na een tijdje terug te varen naar huis. Hij keerde zijn boot in de goede richting, spande zijn zeil en vertrok. En zoals altijd was de terugweg korter dan de heenreis.
Met zijn droom nog levendig in gedachten kwam hij de vissershaven binnenvaren. In volle zon gleed hij naderbij. Natuurlijk stonden ze hem op te wachten. Men had hem verloren gewaand, zoals anderen opgeslokt door het dodeneiland. Maar toen spelende kinderen het zeil hadden gezien dat over de zee dichterbij kwam, juichte iedereen om zijn thuiskomst. Deze keer was het blijkbaar anders verlopen. Toen hij voet aan wal zette vertelde hij honderduit over zijn droom. Hoe de rots werd verzwolgen door de zee en hoe alles een lieflijkheid als geen ander begon uit te stralen. En vooral vertelde hij over het kleine vogeltje, hoe die blijkbaar alles had doorprikt. De mensen luisterden gespannen. Hij keek ze aan en voelde dat ook zij veranderd waren. De angst en dofheid die hij zo vaak in hun ogen had gezien, was verdwenen. Iedereen had nu een lach op het gezicht. Ze straalden zoals de zee dat deed, daar in het noorden. De jonge visser had hen immers gered, verlost van een kwelling die hen in angst hield. Nu waren ze plots bevrijd, in één onooglijk klein moment, dank zij het vogeltje en de jonge visser die de moed had gehad te gaan kijken. Hij, geboren uit zijn volk waarvan hij hield, had samen met hen een hersenschim losgelaten.
Extase
Aan de onbekende man, die vlucht voor zichzelf,
Aan de gesluierde vrouw, verkrampt in haar ziel,
Aan de velen die met hen gaan,
En aan de velen die hen zijn voorgegaan,
Door hellepoorten van eigen makelij,
Verscheurend wat eens behoorde aan God,
Keer om…
Ook aan hen die hardnekkig weerkeren,
Eén na één, weerbarstig op zoek naar waarheid,
Zichzelf verliezend in dwaalwegen,
Zichzelf dwingend een pad te vinden,
Naar hoger leven en groter geluk,
Draai weer bij…
Kom bij jezelf, vergeet de dwang van denken,
Trek open je hart en leer te voelen,
Wordt jouw licht gewaar dat immer schijnt,
Weet, het werd nooit gedoofd,
Wordt ermee één…
Neem dan de liefde in je hand,
Voedt jezelf, voedt daarmee de ander,
Overstijg de wereld,
En straal…
Neem jouw plaats in,
Voel je kracht,
Wees God…
En treedt,
In extase…
Zeven wandelaars en ik
Zeven wandelaars liepen voor mij uit
Ik was acht, de laatste man
In warme jassen gehuld stapten we zwijgend verder
Pad op, pad af
Onze adem vluchtend in de koele lucht
Vochtige mist kleefde op het aangezicht
Toen bleef ik staan
Ik zei niets
De zeven liepen verder
Ze merkten niet eens dat ik hen niet meer volgde
Ik liet ze gaan
Zonder omkijken stapten ze verder naar de horizon
Altijd buiten hun bereik
Alles werd stil
Ze waren verdwenen
Geen voetstappen meer, noch gefluister
Ik keek rond en was echt alleen
Geen vogel was nabij
Tot de avond viel
Een man met vriendelijk gelaat kwam dichterbij
Hij droeg een lantaarn in de hand en kwam naar me toe
Vlak voor mij bleef hij staan
Hij keek me in de ogen en gaf me de lantaarn
Dit is het symbool van het Licht in jouw, zei hij
Dat Licht heeft de wereld nodig
Draag het met je mee en breng het bij ieder die het wil zien
Toen verdween hij weer
Nog diezelfde avond ging ik op stap
Zonder omkijken, zonder een horizon te zoeken
Vanwaar ik gekomen was
Samen met de lantaarn, het Licht in mij, waarvan ik hield
De man die dood zaait
Zwart
De pestkleur
Het grote niets
Het zwarte gat
De grote leegte
Van de man
Die dood zaait
Auto’s
Kleding
Tastbaar zwart
Grijpend om zich heen
Het grote kwaad
Van de man
Die dood zaait
De diepe staat
In schaapsvel
Met de prik
Als valse redding
5G Grafeenoxide
Van de man
Die dood zaait
Lieve jij
Ik zeg je
Het Grote Licht
Zag alles
En gebood
Verlossing
Van de man
Die dood zaait
Herrie
Of hoe ik al fietsend een tube metaalpoets leeg reed. Ontnuchterend waren in dit verband de reactie van mijn zus en verschroeiend die van mijn moeder.
We woonden toen nog in één van die gezellige leien van ons dorp. Nummer 39 was ons huis. Eén van de bijzonderheden aan dat huis was dat de eerste verdieping aan de rechter voorhoek werd ondersteund door een witte pilaar. Kwestie van esthetiek. De voordeur lag immers wat dieper in om mensen die de bel kwamen uitproberen van een droge staanplaats te voorzien. Maar bij mijn weten heeft daar nooit iemand gebruik van gemaakt. Diegenen die bij ons wilden zijn, kwamen altijd langs achter. Zo dat heette. Geen enkel huis in de straat had zo’n paal. Al moet ik er direct bij vermelden, voor zover ik kon zien natuurlijk. Want moeder liet ons nooit te ver de straat ingaan, zeker niet alleen. We hadden er niets verloren, zei ze dan met een niet mis te verstane blik. Nogal logisch, om er iets van jezelf terug te vinden moest ge er toch minstens één keer geweest zijn. Die pilaar was dus hét herkenningspunt bij uitstek. Als we de straat inkwamen, zagen we al van ver die witte fallus staan en begrepen dat we niet ver meer waren van moeders vleugels en vaders nest. Gemakkelijker konden we ons een thuiskomst niet voorstellen. Het voelde bijna aan als een fata morgana waar we naartoe werden gezogen.
Zo was het ook die bewuste noen, op een zonnige dag. Ik kwam naar huis gefietst op ‘het klein veloke’ van mijn zus. Zo noemden we dat afdankertje. Ik mocht het legaal gebruiken omdat grote zus op korte tijd zo gegroeid was dat Sinterklaas het al zag aankomen dat ze de pedalen op de duur met haar knieën zou moeten gaan bedienen. Dus kreeg ze een nieuwe, een veel grotere. Mij niet gelaten, ik had plezier op ‘het klein veloke’ en croste ermee rond waar ik kon en vooral meer bepaald, waar ik mocht.
De paal kwam in zicht, schitterend wit in het zonlicht. Verkeerd rijden kon dus niet meer, ook al zou ik het geprobeerd hebben. Maar bovenal was het nu wel de honger die me richtte. Het was bijna twaalf uur en etenstijd. Ik verwachtte malse witte
boterhammen besmeerd met vette platte kaas en bestrooid met ‘kindjessuiker’. Met dat in gedachten kwam ik met cirkelende beentjes en nog genoeg adem aangereden. In volle snelheid reed ik de nummers 33, 35 en 37 voorbij en draaide bijna zonder te vertragen ons pad op, fier op mijn eigen rijkunst. Nog een paar meters te bollen, langs het huis op, en ik was er. De reis was vlot verlopen. Geen enkel obstakel was ik tegengekomen. Dat was niet van alle dagen. Gewoonlijk gebeurde er wel het één of ander. Maar nu… zalig was het…Ik zag zelfs de deur van de schuur, waar alle fietsen met voorwiel in vaders houten rek klemden, wijd openstaan. Ik kon dus zo naar binnen rijden zonder te moeten afstappen. Wat een soepelheid! Wat een gemak! Ik genoot er van. De witte deur nodigde me uit vrij naar binnen te rijden. Ze was als een wijd open arm. Dus reed ik vol vertrouwen naar binnen. Toch had ik wijselijk wat snelheid geminderd, omdat ik bij eerdere ervaringen met snelheid al had ondervonden dat daar geen eer mee te halen was, zeker niet bij ons moeder. Ik deed dus iets kalmer aan en verwachtte een galante stop in het houten rek.
Maar toen ging het mis. Plots zag ik in de donkerte van de schuur iets op de grond staan. Het bleek de gebogen rug van mijn gehurkte zus te zijn. Oei, dat was erger. Links daarvan zag ik nog iets liggen. Het was een tube die met open mondje en uitgestoken tongetje geduldig te wachten lag tot er wat uit de strot zou genepen worden. Dat kon je zo zien. Vanwege mijn vaart moest ik nu een snelle beslissing nemen. Of ik kon tot stilstand komen tegen mijn zus, of ik kon over de tube heen rijden. De laatste mogelijkheid hield zelfs een bonus in. Ik zou mijn reis ermee tot het einde kunnen voortzetten. Ik had dus geen moeite om te kiezen. Mijn wiel ging richting tube. Met een precieze gerichtheid zoals van een kip die een vlo oppikt, reed ik in uiterste genoegdoening over de tube. FRSWETSJ! De straal braaksel heb ik niet zien wegvliegen maar het moet een aandoenlijk zicht zijn geweest. Vooral toen ook nog mijn achterwiel de resterende puree uit het maag darmstelsel van de tube kneep. Korte pijn is de beste, zo dacht ik, en kwam precies tot stilstand in vaders rek.
SEEEEEEECH!!!! gilde mijn zus ineens, zonder mij te verwittigen, met een stem waarvoor ik eerder nog al had gehuiverd. Ik wou nog te vragen wat er mis was? De kwak was toch naar de andere kant gespoten? Maar ik begreep vrij snel dat het metaalpoets was waar zij haar fiets mee aan het poetsen was. Bijna gans de tube bleek leeg te zijn. En dat zag zij ook. Met verheven stem spelde ze me de les. Ik kon dus niet anders dan wachten tot de storm over zou zijn. Van weglopen was geen sprake omdat zij sneller was dan ik. Maar ineens werd het in de schuur nog donkerder dan het al was. Ik keek naar de deuropening en zag het onvermijdelijke. Ons moeder stond daar. Wat is dat hier? Ze moest het blijkbaar ook weten.
Ja, hij heeft hier over mijn tube gereden, riep mijn zus. Wablief? Naar binnen gij. Als een tornado wisselden mijn moeder en ik van plaats en hiermee was de ren begonnen. Ik had geen andere keuze dan met de vlugste beentjes de veranda in te spurten, en van daaruit naar de eetkamer. Ik wist al wat mij te doen stond. Zoals bij vorige gelegenheden het geval was geweest was dé straf, met gekruiste armen aan tafel zitten. En geen vin meer verroeren! Op zulke momenten bleken wij altijd vinnen te hebben. Ik heb ze nochtans nooit ergens gevonden. Met een onbedaarde moeder achter mij aan was het alleen een kwestie van daar zo vlug mogelijk te geraken. En dat deed ik ook. Misschien was dat nu juist haar razernij. Ze wist dat ze mij moeilijk kon te pakken krijgen en dat zal haar wel geïrriteerd hebben. Ik was nu eenmaal te snel. Ik vloog dus op één van de stoelen die bij de tafel stonden en stootte daarbij mijn knie hevig aan één van de pootplaten van de tafel. KLONG! Die waren daar zo onhandig geplaatst dat iedereen die ging zitten er zich wel een paar keer per week aan stootte. Die ‘klong’ kenden we dan ook zoals het geluid van lepel en vork. Miljaarde! Dit vlotte woord, dat ik pas van mijn vader had geleerd, wou ik uitroepen, maar ik hield wijselijk mijn mond gesloten. Op dat moment weigerde ik nog één gram verlies méér te incasseren dan ik al gedaan had. Met gekruiste armen en sippe lip kwam ik tot stilzit. Ik verwachtte de opdonder nu. Maar die was eigenlijk al een tijdje bezig, al van toen ze achter mij aan zat. Ik had daar wel niet veel van verstaan en ik schrok er wijselijk voor terug om het haar nog eens te doen herhalen. Meestal ging het over wat er voorgevallen was gegoten in een vorm die met stevige moraliteit onderbouwd was. Ons moeder was daar heel goed in.
En zo kwam het dat het wat kalmer werd op de duur en ik al eens durfde opzij kijken. Ik zag dan mijn moeder, ontdaan om het bezit van zo’n pennenvarken van een zoon. Ik begon zowaar spijt te krijgen omdat ik moeder zo van streek had gemaakt. Voor haar was dat het zoveelste crisispunt waarvan ik de oorzaak was. Dat kon ik makkelijk aanvoelen. Ik beloofde mezelf dan ook, in stilte natuurlijk, mijn leven te beteren. Maar een paar seconden later trok ik mijn belofte alweer in. Het platrijden van een tube metaalpoets kon toch niet zo’n drama zijn? Waar deden ze moeilijk over? Ik had hiermee eigenlijk mijn zus haar rug gered. Stel je voor dat ik daar tegenaan was gebotst. ‘t Zou mijn beste week niet geweest zijn, in plaats van mijn beste dag. Ik durfde er niet aan denken wat voor een herrie dat gebeuren zou uitgelokt hebben. Ze mochten, zeker mijn zus, blij zijn dat het zo verlopen was. Ik had de juiste keuze gemaakt, vond ik, en de slag toegediend aan iets wat zich weliswaar niet kon verdedigen maar tenminste geen enkele kik gegeven had.
Hoe die metaalpoets uiteindelijk opgeruimd is geraakt, heb ik ze niet horen vertellen. Er werd zelfs helemaal niets meer gezegd. Na een tijdje werd de tafel gedekt. Zwijgzaam werden de tassen wat harder neergezet dan gewoonlijk. Het gerinkel van het bestek was iets doordringender dan anders. Toch bleek de storm nu wel over. Ook het pakje met de platte kaas verscheen op tafel en werd open geplooid. Ik glunderde in mezelf. Dat zou smullen worden. En het duurde niet lang of ik zette mijn tanden in een malse witte boterham besmeerd met vette platte kaas en bestrooid met ‘kindjessuiker’. Overheerlijk! En ik dacht bij mezelf, dank je wel, mama.
Kindlief, wat heb je verdriet
Kindlief, wat heb je verdriet
Ik zie je al van ver, in de bocht van de weg
Je staat zo hulpeloos, met de fiets aan de hand
Als een witte vlek bij het groen van de heg
Wanhopig blijkbaar, zo alleen aan de kant
Kindlief, wat heb je verdriet
Op mijn snelle fiets ben ik dadelijk bij jou
Dan kijk ik wat er met je scheelt
Verlies je moed nu maar niet al te gauw
Zolang ik er ben die je wonden heelt
Kindlief, wat heb je verdriet
Vertel me eens, wat maakt je zo triest
Je tranen rollen naar benee, zo veel en snel
Is het een vriendje of je fiets die kiest
Hoe jij je nu voelt, het lijkt wel de hel
Kindlief, wat heb je verdriet
Oh, ik zie het al, de ketting heeft je beet
Hoe is dit nu gebeurd, hoe is het gegaan
Besmeerde tanden bijten zich vast in je kleed
Hoe kon je staande blijven, hoe heb je ‘t gedaan
Kindlief, heb maar geen verdriet
Ik help je graag, ik heb het weldra voor mekaar
Hef zo hard je kunt je fiets naar boven
Dan draai ik de trapper rond en zie ’t is al klaar
Je kleedje komt weer los, niet te geloven
Kindlief, heb maar geen verdriet
Wat je alleen niet kon, dat deden we samen
Zet je fietsje maar weer op de grond
Dan gaat je zakdoek op zoek naar je tranen
Die zijn gedreven en verspreid tot aan je mond
Kindlief, heb maar geen verdriet
Heeft mama je geen zakdoek gestoken in je zak
Die mama’s toch, ze gaan het nooit leren
Neem de mijne maar, hij is nieuw en zonder plak
Zo hoef jij er geen te ontberen
Kindlief, wat had je een verdriet
Kijk je lacht alweer om wat daarnet gebeurde
Of lach je dat ik je helpen kom
Of misschien wel omdat je je kleedje besmeurde
Och, wat maakt het uit, daar schijnt ze weer, de zon
Kindlief, wat had je een verdriet
Stap maar weer op je fiets en rij naar huis
Ik wuif nog een keer en laat je vrolijk gaan
Je bent alweer blij na al dat hels gedruis
Je lacht zo lief, voorbij verdriet, weg alle traan
Kindlief, voorbij is je verdriet
Vaarwel kindlief, ik ben je engel en gids
Roep me maar weer, het maakt niet uit hoe of waar
Ik kom je helpen zo veel ik kan, en vermits
Ik echt van je hou, ben ik bij jou in nood en gevaar
Het vliegend tapijt
Ik herinner me niet precies meer wie het idee had opgevat een feestje voor oude schoolmakkers te organiseren. Maar op die dag waren we samen gekomen in een groot huis voorzien van een prachtige tuin, niet ver buiten stad. Het was een heerlijke avond toen, dat weet ik nog goed. De zon scheen helder en de lucht was mooi blauw, hier en daar doorstreept met wat dunne wolken. Overal voelde je de heerlijke warmte van de nazomer.
Omdat de meeste gasten nog moesten aankomen, besloot ik wat in de tuin te gaan wandelen. De bomen wiegden zachtjes in de wind en het geurde er heerlijk. Hier en daar was een krekel te horen en de vogels waren begonnen aan hun avondzang. Vooral de merels wilden alles en iedereen overstemmen. Een beetje dieper de tuin in, opzij van het grasveld, werd mijn aandacht getrokken door iets vreemds. Ik zag daar, tot mijn grote verbazing, een klein jongetje op een tapijtje zitten. Heel alleen. En mijn verbazing werd nog groter toen bleek dat hij daarmee op de lucht dreef. Je kon dat zien aan de zachte deinende bewegingen die hij met dat ding maakte. Het ging telkens heen en weer. Zoiets was het laatste wat ik zou verwachten. Zeker niet in een westerse tuin, zo dicht bij de grote stad. Je zou eerder een egel, een dikke nachtvlinder of een knokige vleermuis tegenkomen, maar dit? Dit leek me al te gek. Was het wel écht wat ik zag? Droomde ik misschien?
Ik besloot wat naderbij te gaan kijken. Ik verwachtte toen dat het figuurtje met doekje en al, opeens ‘ping!’, weg zou zijn, zich oplossend in het niets. Als het een droombeeld zou zijn tenminste. Maar dat gebeurde niet. Hij bleef daar rustig voor zich uitkijken, alsof hij op iets wachtte. Vol nieuwsgierigheid en toch wel met enige zin voor avontuur, liep ik naar het kereltje toe. Bij hem toegekomen draaide hij zich naar me toe en met een blij gezichtje keek hij me aan. Het trof me op dat moment dat ik iets in hem herkende. Het kwam me voor dat ik hem al eens eerder gezien had, maar ik kon me niet herinneren waar of wanneer. Hij zag mijn verwondering, knikte vriendelijk gedag en wachtte af wat ik zou doen of zeggen. Het initiatief was dus duidelijk aan mij. Voor de grap vroeg ik hem of ik ook even op dat tapijtje mocht gaan zitten. Hij had alle redenen om dat te weigeren. Het leek immers, voor mijn grootte althans, eerder op een carpetje. Comfortabel kon dat nooit zijn. Maar het mocht. En terwijl hij mijn verbaasd gezicht goed in de gaten hield, rolde hij van zijn zitje af en stond in geen tijd naast mij. Het was mijn beurt en hij wees met zijn hand van ‘doe maar’. Na wat onzeker gestuntel op één been, plofte ik mijn rechtervoet in het midden van het matje. Het was duidelijk te voelen dat het wel degelijk op de lucht dreef. Ik aarzelde dan ook om mijn volledig gewicht op de mat te zetten. Stel je voor dat je benen, door gebrek aan stabiliteit, plots opzij zouden slaan in een kelderende glijbeweging. Dan sta je voor joker natuurlijk en dat wou ik tot elke prijs vermijden. Maar nu ik aanstalten had gemaakt om het te proberen, wou ik toch doorzetten. Ik steunde nu volledig op mijn rechterbeen en trok snel mijn linker bij. Met wiebelende bewegingen stond ik daar als iemand die zich op een voorthollende olifant moest zien recht te houden. Het kereltje schaterde van ‘t lachen. Het moet inderdaad een stom zicht zijn geweest. Toen hij wat uitgelachen was maande hij me aan te gaan zitten. Hij wees me op een plat kussentje, dat ik hiervoor kon gebruiken. Vreemd genoeg had ik het niet eerder zien liggen, maar ik was nu toch blij het te kunnen gebruiken. Met blijvende onzekerheid ging ik eindelijk zitten. Ja, dit was toch wel al te gek. Hier had ik, vreemd maar waar, toch plaats genoeg. Het leek wel of het tapijtje een heuse tapijt was geworden. Ik kon me zelfs permitteren mijn benen naar voren uit te strekken zonder het risico te lopen dat mijn hielen over de rand kwamen. Dat zat lekker zeg. Ik keek naar de mat en voelde erover. Het golfde onder mijn handen. Fantastisch! En ondanks mijn gewicht kwam mijn zitvlak niet tegen de grond. Ik kon niet begrijpen hoe dat werkte.
Toen keek ik het jongetje aan. Met een kalme tevredenheid boog hij zich naar me toe en fluisterde, ja ga maar. En voordat ik kon vragen wat nu de bedoeling was, begon het te glijden. Eerst langzaam en dan zachtjes sneller. Even gaf het een gevoel alsof ik mij in een vliegtuigje in de lucht liet trekken, zoals op de kermis. Maar dit was anders, dit ging geruisloos en zo soepel. Het leek eerder of de tuin wegdraaide in plaats dat de mat vooruit gleed. Het versnelde gauw en niet veel verder zweefde ik al meer dan een meter boven de grond. Vlug keek ik achterom en zag het ventje daar staan met de handen in de zij. Snel keek ik weer naar voren omdat ik vreesde ergens tegenop te vliegen. Nu besefte ik pas dat ik een beetje te roekeloos had besloten om zo’n tochtje te wagen. Steeds hoger ging het en nog altijd geruisloos. Ik kreeg nu het vreemde gevoel niet alleen te zijn. Achter mij voelde ik een aanwezigheid die blijkbaar met vaste hand de vlucht in goede banen leidde. Ik waagde het niet meer om te kijken om me hiervan te vergewissen. Het ging al te snel. Stel je voor dat ik aan de grillen van zo’n tapijt zou overgeleverd zijn. Maar een innerlijke zekerheid stelde me gerust. Ik kon alleen maar blij zijn met dat gevoel. De lucht deed nu het tapijt zachtjes golven. Ik was al ver de tuin in en al flink op hoogte. Het was heerlijk, ik voelde geen hoogtevrees, zelfs al ging het hoger en hoger. Nu kreeg ik er echt zin in. Ik wilde nog hoger, zodat ik over de huizen en de bomen heen zou kunnen gaan. Maar dat lukte me niet. Ik begon te vermoeden dat ik aan de mat niets te bevelen had. De aanwezigheid achter mij had waarschijnlijk alles onder controle en bepaalde waar de reis naar toe ging. Ik hield me dus stevig aan de randen vast en wachtte af. In een wijde boog vloog ik nu over een paar muurtjes bezijden de tuin. Daarachter kwam ik in het zachte licht van de avondzon terecht. Het schitterende licht spoelde over mijn gezicht. Het voelde aan als een heerlijke balsem. De diepblauwe lucht koepelde wijds over me heen. Ik voelde de oneindigheid. Het uitspansel omsloot mij en ik werd er een deel van. Dit was pas heerlijk, dit had ik nog nooit beleefd. Ik ging achterover liggen in volledige overgave en zag alleen nog maar het diepe blauw van de lucht en de warmgele zon. Steeds hoger en hoger vliegend, scheerde ik nu in grote cirkels, hoog boven de toppen van de bomen. Een witte duivenvlucht vloog even met me mee en wendde zich dan plots in een andere richting. Ik richtte me vlug op om te zien waar ze gebleven waren en zag nog net hoe ze achter hoge bomen verdwenen. Wat was het zalig te zweven, net als hen, zonder er zelf iets voor te hoeven doen. Ik keek en genoot. Het was één en al heerlijkheid.
De zachte wind deed af en toe de mat een beetje klapperen. De zon scheen koperkleurig over mij heen. Die zou weldra ondergaan. Ik vermoedde dan ook dat het ritje wel snel ten einde zou zijn. Beneden zag ik de tuin al waar ik zojuist vertrokken was. In wijde bogen cirkelde ik rondom het huis. Steeds lager ging het en het verbaasde me dat het tapijt, nog altijd bestuurd door de vreemde kracht achter mij, met ongelofelijke precisie tussen de bomen vloog. Nog even en ik zou de plaats zien vanwaar ik vertrokken was. Ik keek al uit naar het jongetje om naar hem te wuiven. Hij zou daar zeker heel de tijd gestaan hebben om mijn vlucht te volgen. Maar ik vond hem niet. Vreemd, waar zou hij zijn? Ondertussen gleed het tapijt laag over het gras en vertraagde. Wat jammer dat dit zo snel voorbij is, dacht ik bij mezelf. Ik had best nog wel wat rondjes willen vliegen. Maar ik begreep wel dat daar niet veel aan te veranderen was. Het tapijt hield halt.
Even verder zag ik de achtergevel van het huis waar het licht al ontstoken was. Ik hoorde pratende en lachende stemmen. Oh ja! Dat ventje. Waar was hij nu? Ik keek koortsachtig in het rond, maar vond hem niet. Ik riep, hela!…ben je daar nog? Speel je verstoppertje, of wat? Maar er kwam geen antwoord. Ik keek nog even naar de blauwe lucht, net of hij daar ergens zou rond zweven, maar stilaan besefte ik dat hij nergens te vinden was. Toen drong het tot me door dat het wel wat koeltjes en vochtig begon te worden onder mijn zitvlak. Ik keek naar de mat, …maar oei, wat was dat? De mat was weg! Hoe kon dat nu? Ik veerde recht, klopte het gras van mijn broek, en liep de tuin rond. In elk hoekje en achter iedere boom keek ik of er iets van die twee te vinden was. Niets! Nu nog beter! Had ik dit nu allemaal gedroomd? Dat kon toch niet? Het leek allemaal zo écht. Verdwaasd keek ik rond en zuchtte. Hoe kon zoiets moois zo plots verdwijnen. Ik keek weer naar de lucht en zag dat de zon al onder gegaan was. Heel hoog in de lucht vloog er een witte vogel, zwevend op de laatste zonnestralen. Het leek net even of hij me riep. Maar dat kon natuurlijk niet. Ik verbeeldde het mij maar, net zoals het ventje, het tapijt en de zweeftocht.
Een beetje ontgoocheld liep ik in de richting van het huis. De avond voelde al koel aan en ik begreep dat het hoog tijd was om me binnen te laten zien. Zouden ze me gemist hebben? Ik had er geen idee van. Ik naderde de verandadeur, waar het gele licht van binnen naar me toe straalde. Nog een beetje verward ging ik naar binnen. In de woonkamer zag ik de genodigden druk met elkaar praten. Eens kijken wie er allemaal is, dacht ik. En voor ik mezelf op de één of andere manier kon voorstellen, keerden er zich enkele naar me toe. Ah! Wie we daar hebben! Hoe is het met je? Wat ben je verandert, zeg! We wisten niet dat je hier ook zou zijn! Kom, drink een glas met ons. Sommigen kiezen blijkbaar de achterdeur in plaats van de voordeur hé, werd er gelachen. Beduusd nam ik het glas aan dat mij werd toegestopt en we klonken op de gezondheid van iedereen.
Nog in gedachten bij het zweeftochtje dwaalde mijn blik af en keek op de rug van een grote, blonde kerel. Hij trok op een vreemde manier mijn aandacht. Wie zou dat zijn, dacht ik bij mezelf. Ik liep naar hem toe, zonder me nog te bekommeren om de anderen. Bij hem gekomen draaide hij zich naar me toe en glimlachte. En toen zag ik het. Hij was het jonge ventje dat mij zijn tapijtje had geleend! Potvertwee! Ik herkende hem meteen. Ik zag het aan zijn lach. Ik zag het aan zijn ogen. Pas nu besefte ik dat hij mijn schoolkameraadje was van in de eerste klas. Hoe kon ik dat vergeten zijn? Hij was het! Verdorie nog aan toe! Hoe kon hij daarstraks…en zo vlug… Ik begreep echter dat het geen zin had om op zulke vragen een antwoord te zoeken. Ik begon te lachen van geluk en omarmde hem. Hij was het waar ik me altijd zo goed bij gevoeld had. Hij, mijn beste vriendje. En nu stond hij hier, naast mij, als een volwassen kerel. Lange tijd was hij uit mijn leven geweest, verhuisd naar een andere stad. En nu terug… wat een treffen! Met stomme verbazing luisterde hij naar mijn verhaal over het kleine kereltje met zijn tapijtje. Ik vertelde honderd uit over mijn zweeftocht en hoe ik er van genoten had. Geboeid luisterde hij en zei tenslotte: dit wat jij nu vertelt, mijn beste, heb ik vorige nacht gedroomd!
Mededogen of medelijden
Als iemand lijdt heb dan mededogen in plaats van medelijden
Medelijden hebben, is mee in zijn/haar lijden kruipen
Er aan deelnemen
Je verzwakt jezelf door zijn/haar lijden over te nemen
In je voelen en denken
Waardoor tegelijk zijn/haar lijden wordt bevestigd
Dit is een neergang voor beiden
Mededogen hebben is kennis nemen van zijn/haar lijden
Door naar hem/haar te luisteren en begrip te tonen
Blijf je bij je eigen
Hierdoor blijf je zelf in je kracht
Dat voelt de lijdende aan als een steun
Op die manier geef je hem/haar kracht
Wat zijn/haar zelfgenezend vermogen stimuleert
Haiku
Ik ben een lichaam
Een schromelijk onbenul
In westers denken
Die zin houdt de mens
In onwetendheid gehuld
Over zijn grootsheid
Ik heb een lichaam
Als woning voor mijn spirit
Zomaar in bruikleen
Dan ben ik geest
Gevangen in het fysieke
Voor lering en groei
Telkens weer en weer
Vervoeg ik het nieuwe kind
De volgende les!
Ik geniet ervan
Te leven in stof verpakt
Het aardse doorgrond
Zo straalt mijn spirit
Vrij van aardse bindingen
Als ik overga
Dan heb ik geleerd
Liefde te herinneren
In al zijn vormen
Het ik als ego
Je ego dient om te overleven in de maatschappij
Daar wordt het spel gespeeld van macht/onmacht
Als je ego de leiding heeft over wie je bent
Bepaalt de buitenwereld je geluk/ongeluk
Is je ego zwak dan zit je in onmacht/groot ongeluk
Is je ego sterk dan zit je in macht/klein geluk
In onmacht voel je je verslagen en machteloos
In macht groeit je ego naar eigenwaan, wat een schijnkracht is
Beiden zijn niet vol te houden
Ontsnapping uit de macht/onmacht situatie
Problemen komen je ter hulp ook al lijkt het tegendeel
Ze geven je de kans je situatie te veranderen
Je kan 3 dingen doen…
Wegvluchten: je problemen komen steeds terug, je blijft in onmacht
Vechten: dat zorgt voor verdere isolering in je schijnkracht
Enkel in aanvaarding kies je voor redding
Vanuit onmacht groeit je wil – “Ik ga ervoor”
Kies in dat geval voor kracht, niet voor de illusie macht
Omdat macht je echte kracht maskeert
Zoek je kracht, keer je naar binnen
Vind wat jezelf echt wil, niet wat de buitenwereld van je wilt
Vind wat jij graag doet, je passie, want dat is je echte kracht
Geloof daarin en richt je leven daarop in
Daarmee bouw je kracht op
“Blijf bij uw eigen”
Zo maak je verbinding met je wezenlijk zelf, je Hoger Zelf
Dit is de bron van echt geluk
En zo wordt je ….
Ego niet meer dan een basis instrument van je Hoger Zelf
En raak je verlost van ongeluk en klatergeluk
Struikelen is niet erg
Weet dat je altijd opnieuw kunt beginnen
Café Het Toegeklapte Boek
Laat ons beginnen met de lampenkap, in het midden van de zaak aan het plafond. Een koepel, zoals je ziet. Mogelijk een goed doordachte kopie van de bolle kop van de basiliek van Rome. Het hangt boven hun aller hoofden, de zittende mannen, en zorgt voor vaag licht of misschien wel, Het Licht.
De twee staande figuren zijn hier de baas. Het zijn vrouwen, de dienster en haar moeder. Deze laatste staat met haar, nu gesloten, groen kleed iemand te bedienen. Haar pakje grijs haar heeft wat weg van een eikel. Mogelijk een souvenir-restant van vroegere capriolen. De dochter, als waardig opvolgster van haar moeke, is ook haar beste schijn al veel te vroeg verloren. Haar gedeukt gezicht is daar duidelijk over, hoewel de reet in haar blouse het nog probeert te redden. Ze denkt ondanks haar bouwvalligheid tenminste toch nog iets te kunnen offreren aan haar klanten. Een herinnering aan vroeger. De zin om te spelen of te drinken, wie weet? De aanwezige mannen kiezen toch maar voor het laatste. Ze grijpen wat nog kan omdat het niet te moeilijk is in het trieste besef dat hét toch nooit meer zou lukken.
Zij zijn de gasten, allemaal oud en uitgedoofd, zittend omdat dit helpt voor een milder gemak. Ze zijn allen wreed teleurgesteld in het leven. Dat zie je overduidelijk aan hun uitgezakte gezichten. In het midden zie je de halve kop van de pastoor; niet voor niks bezet hij de centrale plaats. Zijn ‘ware’ gezicht is uiteraard verstopt maar ondanks die truc vergeet hij niet het meeste licht op te vangen. Er zijn! In het Licht! Een oude, verknochte gewoonte in opdracht van de papus. Uit het gezicht van de omkijkende man uiterst rechts spreekt hierover een onmiskenbaar misprijzen. Misnoegd over zijn eigen mistig bestaan kijkt hij half naar de pastoor en half naar de dienster. Je voelt al het conflict in zijn maag, dat van inprenting versus lust. Van welke pot gaat hij eten!? Pakt hij de brug over de pastoor heen naar de dienster toe of laat hij zichzelf botsen met de moraal des levens. Beiden zijn opdoffers, dat beseft hij maar al te goed. De reden dat hij gelaten blijft zitten.
De dienster, een massief en intensief gebruikte dame met bollen en klossen aan haar lijf, voert een gesprek met een van hart en nieren klagende man. Aan zijn hoofd te zien heeft hij niet lang meer te leven. Zijn dood hoofd prangt zich al duidelijk door zijn vel. Het is zo’n man waar niet van af te komen is als je er eenmaal een praatje mee begint. Het is zelfs zo’n man die ongelikt zijn scheten niet meer wil inhouden. Bleek en grauw als hij is van gelaat en leden. Hij is zoals zijn oude vest, dat heb je goed gezien. Welk een pronkstuk zou dat zijn in een museum van versleten gebruiksvoorwerpen.
Centraal en kijkend naar de toeschouwer zit de ouwe kolenboer. Duidelijk is dat hij er ook geen zin meer in heeft. Is zijn glas halfleeg of halfvol? Wie zal het zeggen. Het schuim is al lang weggezakt en alle prik is gelijk met het laatste belletje ontsnapt. Zijn strakke blik is zowel vragend als verdrietig; waarom is alles zoals het is? Kan iemand mij daar iets over zeggen? Nee beste man, dat kunnen we niet. De pet die hij draagt heeft de vorm van een elfenbank. Je weet, een elfenbank is een soort zwam die de taak volhoudt oud materiaal op te ruimen, vastgezogen aan een dode boom, doortastend en vooral onherroepelijk. Zo is het toch in het bos. Zijn rechteroor die een deel van het gelaat van de pastoor overlapt kleurt fel rood door het impregnerende licht van de lamp aan het plafond. Het vertelt één waarheid. Het sprankeltje hoop dat hij heeft naar een betere tijd. Het oor blijft star naar de dienster wijzen. Maar tegelijkertijd duidt het ook op het jarenlang moeten aanhoren van het gedram van de pastoor. Hij die zijn voorgekauwde moraalfilosofie zonder ophouden probeerde te slijten aan vooral mannen, de ruziënde hufters van de maatschappij, die welke hun vlag niet kunnen thuishouden en of te veel drinken, vloeken en pippi plegen waar het niet hoort.
Kijk, de boel valt stil want het wordt al laat. De pastoor geeuwt met knokige vuist voor zijn mond terwijl de oogleden van de kolenboer bijna volledig toevallen. Uiteindelijk zal de mist van de sigaretten en de sigaar van de pastoor iedereen benauwen. Je gaat dat zien. Ze zullen gaan geeuwen en willen vertrekken naar hun beddenbak om daar weg te zeilen in het niets. Moe van het gelal over steeds hetzelfde. Geen hoofd meer met nog iets in wat uitgesproken kan worden. En omdat de curve van het bier te ver gestegen zal zijn wordt net dat de factor die hen definitief in zwijgen doet vervallen. Dan schuifelen ze allemaal de deur uit. Dan zal het zaaltje leeg zijn. Dan zal het licht uitgeknipt worden, de deur achter de laatst opgestane door de serveuse worden dicht geklapt en met de sleutel worden vergrendeld. Dan zal het stil worden in de keet. Vergrijsd door een benevelde stilte, in dezelfde mist als in de hoofden van de mannen, inclusief de pastoor.