Woorden en reflecties
Naast zijn beeldende werk schrijft Rudic Leysen ook korte essays en reflecties.
Deze teksten verkennen thema’s zoals natuur, perceptie, bewustzijn en de zoektocht naar betekenis achter wat we zien.
Voorwoord
Van mijn moeder, die bij wijlen streng uit de hoek kon komen, kreeg ik naast het schildertalent ook het talent om te schrijven. Vandaag voel ik een grote behoefte haar daarvoor te danken, al ben ik daar eigenlijk een beetje laat mee. Zij ging immers lang geleden over naar haar thuis, in 1983 om precies te zijn. Zij was toen amper 57 jaar oud.
Zelf schreef zij artikels in een maandelijks tijdschrift gewijd aan cactussen en succulenten. Niet zo vreemd wanneer je weet dat er in die jaren een hele vereniging bestond van liefhebbers hiervan: De Cactusvrienden, gevestigd in Antwerpen. Daar was zij een onmisbare kracht.
Mijn eigen schrijven ontplooide zich pas jaren later, op een moment dat mijn aandacht meer naar levensbeschouwelijke vragen ging. Die zoektocht begon met een periode van inkeer.
Vandaag herwerk ik met plezier een vijftigtal verhalen die ik schreef in 2003 en 2004. Niet alle zullen hier verschijnen; sommige voelen voor mij vandaag te licht of te vrijblijvend. In hun plaats zullen er wellicht nieuwe ontstaan.
Deze kortverhalen draag ik daarom op aan mijn moeder. Zij was een sterke, idealistische vrouw met vele talenten. Ik ben dankbaar dat zij mijn moeder was.
Dank u mama, voor het leven dat je met ons hebt gedeeld. Je hebt ons veel gegeven.
Kortverhalen
Als roerloze gestalten stonden we verspreid op de brug. Zwijgend. De hele omgeving was donker, haast kleurloos en kil. Zwart water kolkte onder de brug door. Dat deed me huiveren. Op de oever stond een vrouw met warme jas, papier in de hand. Eén voor één riep ze namen af. Onze namen. Haar stem sneed door de wind. Gespannen luisterden we. Maar te vlug zweeg de vrouw weer. We keken elkaar aan en wisten niet wat er volgen zou. Seconden later werd het duidelijk. Beweging en rumoer nu, haastig geloop naar de overkant waar een autobus stond, de deuren uitnodigend open. Ik wist niet wat ik moest denken, ze had me niet vernoemd! In een opwelling liep ik toch mee, geen idee waarom. Velen bleven op de brug, dat zag ik bij een laatste keer omkijken. Verstard stonden ze daar, niet in staat zich te bewegen.
Binnen in de bus was er licht, gelig warm. Het verdrong de avondlucht. Het leek wel magie. Toen we ingestapt waren liep de vrouw met de warme jas door het middengangetje. Ze keek iedereen aan en telde. Bij mij aangekomen hield ze halt. Wie ben jij?… Dit had ik kunnen weten. Ik negeerde haar en bleef strak voor mij uitkijken. Ik zou nu wel worden buiten gezet. Maar ze zei verder niets. Ze boog zich voorover en legde haar tengere hand op mijn schouder. Ze kuste m’n voorhoofd. Ik smolt en keek op. Ze stond tegen me aan en zag even haar grote donkere ogen. Kende ik haar?
De chauffeur sloot de deuren en startte de motor. Hij morrelde aan de handrem en met een schok vertrok de bus, de dageraad tegemoet.
Hoe het lot een vader op zijn taak wijst.
Ik had het schoteltje, op het strand, hoog de lucht in gezwierd. Volgens de regels uiteraard tegen de wind in. Op die manier verwachtte ik dat het netjes weer bij mij zou komen. Meestal was dat ook zo, of toch ongeveer. Maar met die ene worp liep het grondig mis. Ik had extra hoog gegooid, met een ferme zwaai. Mooi was het wel, dat gele schijfje tegen de diepblauwe lucht. Maar onverwacht zeilde het een andere richting uit, gegrepen door een hoge wind. Oei, ik zal moeten lopen. Het vloog over me heen, heel hoog. Ik keerde me om en zag vijftig meter verder mijn zoontje zich verblijden in een spel met potjes, pannetjes en mul zand. Ondertussen kwam het schoteltje met een vaart naar beneden. Ja, ik zag het aankomen. Ik begon als waanzinnig door het onwillige zand te lopen maar kon er onmogelijk op tijd bij. Verder lopen had geen zin. Met een droge maar duidelijk hoorbare tok plofte het onding op zoontjes’ hoofdje. Die sloeg eerst voorover en kantelde vervolgens opzij met de beentjes in de lucht. Daarbij strooide zich een waaier van zand over het ventje.
Een snijdend geluid rees op. Langgerekt en in herhaalde coupletten. Arm kereltje. Ik liep naar hem toe en probeerde hem te sussen. De met zand bespikkelde traantjes veegde ik af met mijn door zand grof geworden zakdoek. Uit zijn neusje stroomden rijkelijk dikke bellen die schitterden in de zon. Wat een leed! Hoe kon het gebeuren dat het schijfje zich zo misdragen had. Er was toch plaats genoeg om te landen? Wie was er fout? De frisbee, de wind, ikzelf of nog iets anders? Ik geraakte er niet uit. Ik pakte zoonlief op mijn arm en knuffelde hem. Dikke kusjes klonken als belletjes. Nadat hij bedaard was zette ik hem weer bij zijn speelgoed. En om hem de aanslag vlug te doen vergeten speelden we samen verder.
Ik zat in een kerk waar geen warmte koesterde,
Waar lampenlicht het duister nauwelijks verjoeg.
Het winterse vocht sloop tussen de mensen,
Koude priemde in alle voeten,
Het deed ons rillen.
Waarom waren we gekomen,
Wie kon vertellen wat hier te vinden was,
Wist iemand hierover wat te zeggen.
Niemand…
Mensen staarden voor zich uit of keken naar hun koude handen,
In gedachten… en verdroegen het verblijf,
Voor de tijd die het duren zou.
Vooraan galmde een stem, versterkt door een microfoon,
Biddend over schuld en schuldenaren,
Dan weer zingend, eentonig en hol,
Altijd dezelfde stem voor altijd dezelfde woorden,
Hij wilde onze aandacht maar verkreeg die niet.
Niemand kon luisteren,
Al het denken was gesmoord, ieders gedachten leeg,
De afstand bleef.
En toch, mij gaf het een gevoel dat zich versterkte elke week,
Niet van vroomheid maar één door klank gevormd,
Gedragen door de stem die zong, door orgel ondersteund,
Gevoed door het lusteloze geprevel van het volk.
Hun luider snuiven, hoesten en schuifelen,
Doorsneden met het gezeur van een kind dat echode binnen de kerk,
Dat alles gekruid met wierookgeur en kaarsvet,
Gaf mij dat vreemde gevoel, nergens anders te vinden,
Stilaan vertrouwd op de plaats die eens vreemd was aan mij.
Ik leefde voort met het verworven gevoel,
En antwoordde geen gebeden meer.
Tot op een keer iets wonderlijks gebeurde,
Licht kwam schijnen vanuit één der ramen.
Het viel op een schare mensen links naast mij,
Het lokte mijn blik en ik zag warmte bloeien.
Eén zonnestraal viel op een meisje,
De zon speelde om haar vingers.
Het lieve kind genoot, haar blik gefascineerd,
Ze keerde zich verrast naar hen die haar bekeken,
En keek toen ook naar mij en glimlachte blij.
Ik lachte terug en voelde haar vreugde om wat haar overkwam,
Het beroerde al die het zagen, het gaf vrij wat erin besloten lag,
En ieder voelde het goddelijke wat de stem niet geven kon.
Ondoordacht stond ik op en liep naar het meisje,
Ze straalde met de zon om haar heen.
Ik herkende het teken als een warme genade,
Ik nam haar hand waar het licht op speelde,
En keek in haar ogen, en zei glimlachend, dankjewel.
Toen liet ik haar hand en ging naar buiten,
Ik had gezien wat ik zolang had gezocht.
Ik wist het zeker, het voelde goed, het bruiste in mij,
Het was licht, het was muziek, het was kleur en warmte.
Ik brak met zoeken in een stervend leven,
De muren doorbrekend met één armzwaai,
De dienst daarbinnen die mijn leven verstilde, verdween.
Daar stond ik dan buiten op de stoep,
De zon kleurde alles, ze straalde om mij heen.
De lucht tooide zich in koningsblauw,
Het geluid van vogels kwam naar me toe als leven.
Ik zag bloesems en het lokkend groen,
Ik verruimde mijn longen en ademde diep.
De wind streelde mij, mijn ogen laafden zich,
Voor mij wuifden bomen in de zoete ochtendlucht.
Gelukkig had alles zolang gewacht.
Aan mijn linkerkant lag een weg, nog glimmend van de regen.
Iemand nam een fiets uit het rek achter mij.
Het was het meisje uit de kerk.
Ze was nog steeds betoverend mooi, zoals tevoren.
Ze reed langs mij heen en zei vaarwel, heb veel geluk.
Nog even wuifde ze en lachte lief.
Toen reed ze verder, de horizon tegemoet.
Zeven mijlen ver in zee, in noordelijke richting, lag het dodeneiland. Het was een zwarte rots die grillig vanuit de diepte zijn kop opstak. Weerbarstig hard en niet te verslaan. Hij stond daar al sinds tijden. Bij vloed kroop het water tot aan zijn hals. Bij eb rees zijn lichaam hoog boven het water uit. Als wou hij zeggen: ik ben de heerser, ik ben de donkere macht. Wie hier komt, keert nimmer weer. Ik slok jullie leven op.
Deze gedachte leefde al zo lang bij de mensen op het land. Het was een spookbeeld overgeleverd vanuit oude tijden. Nooit werd er vrijuit over gesproken en nog minder durfde men er om te spotten. Er werd alleen maar gefluisterd wanneer de angst in hun gedachten woekerde. Iedereen huiverde en creëerde in gedachten een bijna tastbaar gedrocht. Eén die het leven naar zich toe zoog als je niet oplette. Het was de onontkoombare dood. Men verfoeide die kille plaats in verlammende machteloosheid. Zo werd de schim van het dodeneiland door hun eigen angst gevoed. Er nooit meer van terugkeren was te veel. Vissers voerden dan ook in wijde bogen om de vermeende plek heen. Ze vermeden de rots als de pest. En daarom kon niemand vertellen hoe het er eigenlijk was. Nooit had iemand hem gezien, want niemand had ooit de moed gehad erheen te varen.
Maar op een dag was er een jonge visser die, geprikkeld door al die verwarde verhalen, erheen wilde varen. Als hij zijn makkers zou gevraagd hebben mee te gaan zouden ze verschrikt: “Je bent niet goed wijs!” geschreeuwd hebben. Als hij overdag zou zijn uitgevaren dan zouden ze hem beslist tegengehouden hebben. Je moet wel gek zijn om alleen in een boot de zee op te gaan, en dan nog naar het dodeneiland! Maar een vreemd innerlijk gevoel trok hem er naar toe. Daarom besloot hij de dageraad af te wachten. Op een lenteochtend waaide de wind uit de goede richting. Hij koos de kleinste boot die er was. Met één zeil en een paar stevige roeispanen zou hij het wel klaren. Hij waagde zijn kans en was vastbesloten te gaan kijken. Hij vertrok in alle stilte. Er was net genoeg licht om veilig het haventje uit te varen. Een kompas en het zeil dat hij spande hielpen hem. Het lukte. Nu kon niemand hem nog tegenhouden. Hij wilde weten!
Na vele uren roeien kwam hij in de omgeving waar het dodeneiland vermoed werd. Hij keek om zich heen en zag het water uitgestrekt tot aan de horizon. Ja, daar in het noorden moest het zijn. In de verte zag hij het water bijna onzichtbaar overgaan in een donkere lucht. Jachtige, grauw gekleurde wolken dreven er laag over het water. Hij roeide verbeten verder. Na een tijdje hield hij stil en legde de roeispanen in zijn bootje. Hoewel de wolken driftig door de lucht joegen, bleef het zeil bijna roerloos stil hangen. Ook het water was ongewoon kalm, alleen zachte rimpels trokken er lange strepen. Het was ijselijk stil. De indringende koelte deed hem rillen. Hier kon de rots niet meer ver af zijn. Dat voelde hij. Maar zover hij kon zien, was er nergens een spoor van te vinden. Hij besloot wat te rusten. Hij legde zich neer en keek naar de wolken die grillig een weg zochten naar het noorden.
Vermoeid als hij was, sliep hij in. Een droom voerde hem mee. Beelden en geluiden kwamen in hem op. Hij droomde van het water rondom hem en hoe de wolken over hem heen vloeiden, veel dichterbij nu. Er was geen kilte en het verwonderde hem dat het bootje nu helemaal stil lag. Hij richtte zich op omdat hij een bars gekraak te horen. Wat was dat? Hij keek opzij en verstijfde meteen. Een beetje verder, in het halve duister, verhief zich het dodeneiland uit het water. Een zinderende rilling trok door zijn lichaam, als een schok bijna. Meters hoog torende de glimmende rots boven hem uit. Een hevig dreigend gevoel overspoelde hem. Nee, dit was niet zo maar een rots. Dit was een gedrocht dat zoveel angst in zich hield dat je gek moest zijn om dichterbij te komen. Alles leek doordrongen van gif. Ook de zwarte cipressen die er stonden, straalden de dood uit. Vooraan was er een trap gebouwd die naar een platform leidde. De twee brede stenen die ernaast stonden maakten deel uit van een omwalling die het voorste vlakke gedeelte omsloten. Ze stonden als sterke tanden op een bijtgrage onderkaak. Achter het vlakke gedeelte, tegen de steile wand stonden de cipressen. Hun toppen wuifden driftig in de kille wind. Overal zag hij kijkvensters in de rotswand uitgehouwen. Geen licht brandde er. Alleen een fakkel, links tegen de rotswand, joeg zijn geel licht tegen de gladde muur aan. Daarbinnen moest dus iemand zijn. Aan de rechterkant was een grote poort uit de rots gehouwen. Daar was de toegang naar de dodelijke ingewanden. Hier waren mensenhanden aan het werk geweest. Maar hoe kon dit bestaan? Wie had dit gebouwd? Welke krankzinnige geest had dit bedacht?
Nog verward door het plotse aanschouwen zag de jonge visser nu tot zijn grote verbazing een bootje komen aandrijven. Daarin stond een grote gedaante met een wit gewaad over zich heen. Hij had geen gezicht. Roerloos stond hij daar. Achter hem zat een gehurkte gestalte, de handen voor het gezicht geslagen. Willoos liet hij zich meevoeren door de witte geest. Het bootje bewoog als vanzelf. Het sleepte de roeispanen als twee slappe armen met zich mee. Het voer recht naar de rots. Daar aangekomen stapten de twee gedaanten de trap op. De dood, dacht hij, dat moet de dood zijn die iemand gehaald heeft. Die arme stakker! Daar zal hij nooit meer van terug keren. Vervolgens zag hij hoe ze de poort binnen gingen. Een oranjekleurige gloed die de hal verlichtte laaide plots op. Nog even speelde hun schaduw op een zijmuur vooraleer de zware deur weer dicht sloeg, geluidloos. Het bootje, waarmee ze gekomen waren, dreef langzaam weg. Giftig gekleurde wolken joegen nog steeds door de lucht. Veel te snel. Er heerste een klamme sfeer. De visser keek naar de rotspunt die in het midden hoog de lucht in stak. Vreemd, die had dezelfde gedaante als de witte man daarnet in het bootje. Zonder gezicht maar toch indringend kijkend naar de wijde omgeving of misschien nog verder.
Maar toen ineens, geheel onverwacht en zo snel, zette zich een klein vogeltje op de boeg van zijn bootje. Het fladderde wat met zijn vleugels en piepte vrolijk. Rrrt! Het was alweer weg. Een vogeltje! Hier? Hoe kon dat? Hij keek het na maar het was al uit zijn zicht verdwenen. Op dat moment brak de zon door de wolken. De jonge visser keek op. Een dun gelig licht bescheen zijn gezicht en het dodeneiland. Er veranderde iets, het leek alsof er iets was toegevoegd aan deze onheilspellende plaats. Kwam het door het vogeltje? Ja misschien wel. De trilling van de angst was niet meer zo intens als tevoren. Iets van de boosaardigheid ebde langzaam weg. Nauwelijks had hij dat opgemerkt of hij zag het water achter de rots zich verheffen. De vlakke zee rees geluidloos op. Zo ver hij kon zien zwol het water op, steeds hoger als een immense bult die steeds dichterbij kwam. Het dodeneiland gaat overspoeld worden, dat zag de visser aankomen. Even later, toen de waterrug hoger dan de rots was en tot vlakbij was genaderd, kwam er een zwarte figuur van tussen de bomen vandaan. Op hetzelfde moment vloog er een soort vliegend reptiel weg, die verscholen had gezeten op het linker gedeelte van de rots. De kreet die het gedrocht uitstootte ging door merg en been. Het klonk als de dood. De zwarte man liep naar de fakkel die tegen de rotswand hing en haakte ze af. Met een enkele zwaai wierp hij ze in zee. Sissend doofde het vuur en liet een groenachtige rookpluim na. Toen verdween de man weer door de poort aan de rechterkant. Vreemd allemaal, waarom zou hij dat doen? De jonge visser dacht na.
De slag was nu nabij. De visser keek toe. Hij zag het water tegen de rots aanbeuken. Met een geweldig gekraak brak die af en tuimelde voorover, de zee in. Water spatte meters hoog de lucht in. De zwarte cipressen werden mee naar de diepte gesleurd. De rotsblokken kantelden alsof het kiezeltjes waren. In geen tijd was er van de rots niets meer te zien. Zo waste de vloedgolf het dodeneiland weg. Toen zakte de grote golf weg en werd de zee weer vlak. De zon die laag over het wateroppervlak scheen werd nu veel helderder. De wolken, spookachtig gekleurd door het lage licht, werden dunner en vluchtten weg. In hun plaats klaarde een helder blauwe lucht. Alle duisternis was weggevaagd. Een helder licht scheen nu volop.
De zon brandde de visser op het gezicht. Hij werd wakker, richtte zich op en keek verdwaasd om zich heen. Hij had de tranen in zijn ogen. Hij had in zijn droom gezien hoe enorme krachten het gedrocht hadden vernietigd. Er was geen dreiging meer, geen spanning die eeuwen was gevoeld. Hij zag het stralend groene water dat zacht over en weer golfde. Hoe was dit mogelijk geweest. Hij dankte de hemel. Heel de omgeving had nu een lieflijke uitstraling. Hier en daar tuimelden vissen uit het water omhoog, vrolijk spelend. Hij genoot er van. Hij zag dat alles nu mooi en goed was en besloot na een tijdje terug te varen naar huis. Hij keerde zijn boot in de goede richting, spande zijn zeil en vertrok. En zoals altijd was de terugweg korter dan de heenreis.
Met zijn droom nog levendig in gedachten kwam hij de vissershaven binnenvaren. In volle zon gleed hij naderbij. Natuurlijk stonden ze hem op te wachten. Men had hem verloren gewaand, zoals anderen opgeslokt door het dodeneiland. Maar toen spelende kinderen het zeil hadden gezien dat over de zee dichterbij kwam, juichte iedereen om zijn thuiskomst. Deze keer was het blijkbaar anders verlopen. Toen hij voet aan wal zette vertelde hij honderduit over zijn droom. Hoe de rots werd verzwolgen door de zee en hoe alles een lieflijkheid als geen ander begon uit te stralen. En vooral vertelde hij over het kleine vogeltje, hoe die blijkbaar alles had doorprikt. De mensen luisterden gespannen. Hij keek ze aan en voelde dat ook zij veranderd waren. De angst en dofheid die hij zo vaak in hun ogen had gezien, was verdwenen. Iedereen had nu een lach op het gezicht. Ze straalden zoals de zee dat deed, daar in het noorden. De jonge visser had hen immers gered, verlost van een kwelling die hen in angst hield. Nu waren ze plots bevrijd, in één onooglijk klein moment, dank zij het vogeltje en de jonge visser die de moed had gehad te gaan kijken. Hij, geboren uit zijn volk waarvan hij hield, had samen met hen een hersenschim losgelaten.
Aan de onbekende man, die vlucht voor zichzelf,
Aan de gesluierde vrouw, verkrampt in haar ziel,
Aan de velen die met hen gaan,
En aan de velen die hen zijn voorgegaan,
Door hellepoorten van eigen makelij,
Verscheurend wat eens behoorde aan God,
Keer om…
Ook aan hen die hardnekkig weerkeren,
Eén na één, weerbarstig op zoek naar waarheid,
Zichzelf verliezend in dwaalwegen,
Zichzelf dwingend een pad te vinden,
Naar hoger leven en groter geluk,
Draai weer bij…
Kom bij jezelf, vergeet de dwang van denken,
Trek open je hart en leer te voelen,
Wordt jouw licht gewaar dat immer schijnt,
Weet, het werd nooit gedoofd,
Wordt ermee één…
Neem dan de liefde in je hand,
Voedt jezelf, voedt daarmee de ander,
Overstijg de wereld,
En straal…
Neem jouw plaats in,
Voel je kracht,
Wees God…
En treedt,
In extase…
Zeven wandelaars liepen voor mij uit
Ik was acht, de laatste man
In warme jassen gehuld stapten we zwijgend verder
Pad op, pad af
Onze adem vluchtend in de koele lucht
Vochtige mist kleefde op het aangezicht
Toen bleef ik staan
Ik zei niets
De zeven liepen verder
Ze merkten niet eens dat ik hen niet meer volgde
Ik liet ze gaan
Zonder omkijken stapten ze verder naar de horizon
Altijd buiten hun bereik
Alles werd stil
Ze waren verdwenen
Geen voetstappen meer, noch gefluister
Ik keek rond en was echt alleen
Geen vogel was nabij
Tot de avond viel
Een man met vriendelijk gelaat kwam dichterbij
Hij droeg een lantaarn in de hand en kwam naar me toe
Vlak voor mij bleef hij staan
Hij keek me in de ogen en gaf me de lantaarn
Dit is het symbool van het Licht in jouw, zei hij
Dat Licht heeft de wereld nodig
Draag het met je mee en breng het bij ieder die het wil zien
Toen verdween hij weer
Nog diezelfde avond ging ik op stap
Zonder omkijken, zonder een horizon te zoeken
Vanwaar ik gekomen was
Samen met de lantaarn, het Licht in mij, waarvan ik hield
Zwart
De pestkleur
Het grote niets
Het zwarte gat
De grote leegte
Van de man
Die dood zaait
Auto’s
Kleding
Tastbaar zwart
Grijpend om zich heen
Het grote kwaad
Van de man
Die dood zaait
De diepe staat
In schaapsvel
Met de prik
Als valse redding
5G Grafeenoxide
Van de man
Die dood zaait
Lieve jij
Ik zeg je
Het Grote Licht
Zag alles
En gebood
Verlossing
Van de man
Die dood zaait
Of hoe ik al fietsend een tube metaalpoets leeg reed. Ontnuchterend waren in dit verband de reactie van mijn zus en verschroeiend die van mijn moeder.
We woonden toen nog in één van die gezellige leien van ons dorp. Nummer 39 was ons huis. Eén van de bijzonderheden aan dat huis was dat de eerste verdieping aan de rechter voorhoek werd ondersteund door een witte pilaar. Kwestie van esthetiek. De voordeur lag immers wat dieper in om mensen die de bel kwamen uitproberen van een droge staanplaats te voorzien. Maar bij mijn weten heeft daar nooit iemand gebruik van gemaakt. Diegenen die bij ons wilden zijn, kwamen altijd langs achter. Zo dat heette. Geen enkel huis in de straat had zo’n paal. Al moet ik er direct bij vermelden, voor zover ik kon zien natuurlijk. Want moeder liet ons nooit te ver de straat ingaan, zeker niet alleen. We hadden er niets verloren, zei ze dan met een niet mis te verstane blik. Nogal logisch, om er iets van jezelf terug te vinden moest ge er toch minstens één keer geweest zijn. Die pilaar was dus hét herkenningspunt bij uitstek. Als we de straat inkwamen, zagen we al van ver die witte fallus staan en begrepen dat we niet ver meer waren van moeders vleugels en vaders nest. Gemakkelijker konden we ons een thuiskomst niet voorstellen. Het voelde bijna aan als een fata morgana waar we naartoe werden gezogen.
Zo was het ook die bewuste noen, op een zonnige dag. Ik kwam naar huis gefietst op ‘het klein veloke’ van mijn zus. Zo noemden we dat afdankertje. Ik mocht het legaal gebruiken omdat grote zus op korte tijd zo gegroeid was dat Sinterklaas het al zag aankomen dat ze de pedalen op de duur met haar knieën zou moeten gaan bedienen. Dus kreeg ze een nieuwe, een veel grotere. Mij niet gelaten, ik had plezier op ‘het klein veloke’ en croste ermee rond waar ik kon en vooral meer bepaald, waar ik mocht.
De paal kwam in zicht, schitterend wit in het zonlicht. Verkeerd rijden kon dus niet meer, ook al zou ik het geprobeerd hebben. Maar bovenal was het nu wel de honger die me richtte. Het was bijna twaalf uur en etenstijd. Ik verwachtte malse witte
boterhammen besmeerd met vette platte kaas en bestrooid met ‘kindjessuiker’. Met dat in gedachten kwam ik met cirkelende beentjes en nog genoeg adem aangereden. In volle snelheid reed ik de nummers 33, 35 en 37 voorbij en draaide bijna zonder te vertragen ons pad op, fier op mijn eigen rijkunst. Nog een paar meters te bollen, langs het huis op, en ik was er. De reis was vlot verlopen. Geen enkel obstakel was ik tegengekomen. Dat was niet van alle dagen. Gewoonlijk gebeurde er wel het één of ander. Maar nu… zalig was het…Ik zag zelfs de deur van de schuur, waar alle fietsen met voorwiel in vaders houten rek klemden, wijd openstaan. Ik kon dus zo naar binnen rijden zonder te moeten afstappen. Wat een soepelheid! Wat een gemak! Ik genoot er van. De witte deur nodigde me uit vrij naar binnen te rijden. Ze was als een wijd open arm. Dus reed ik vol vertrouwen naar binnen. Toch had ik wijselijk wat snelheid geminderd, omdat ik bij eerdere ervaringen met snelheid al had ondervonden dat daar geen eer mee te halen was, zeker niet bij ons moeder. Ik deed dus iets kalmer aan en verwachtte een galante stop in het houten rek.
Maar toen ging het mis. Plots zag ik in de donkerte van de schuur iets op de grond staan. Het bleek de gebogen rug van mijn gehurkte zus te zijn. Oei, dat was erger. Links daarvan zag ik nog iets liggen. Het was een tube die met open mondje en uitgestoken tongetje geduldig te wachten lag tot er wat uit de strot zou genepen worden. Dat kon je zo zien. Vanwege mijn vaart moest ik nu een snelle beslissing nemen. Of ik kon tot stilstand komen tegen mijn zus, of ik kon over de tube heen rijden. De laatste mogelijkheid hield zelfs een bonus in. Ik zou mijn reis ermee tot het einde kunnen voortzetten. Ik had dus geen moeite om te kiezen. Mijn wiel ging richting tube. Met een precieze gerichtheid zoals van een kip die een vlo oppikt, reed ik in uiterste genoegdoening over de tube. FRSWETSJ! De straal braaksel heb ik niet zien wegvliegen maar het moet een aandoenlijk zicht zijn geweest. Vooral toen ook nog mijn achterwiel de resterende puree uit het maag darmstelsel van de tube kneep. Korte pijn is de beste, zo dacht ik, en kwam precies tot stilstand in vaders rek.
SEEEEEEECH!!!! gilde mijn zus ineens, zonder mij te verwittigen, met een stem waarvoor ik eerder nog al had gehuiverd. Ik wou nog te vragen wat er mis was? De kwak was toch naar de andere kant gespoten? Maar ik begreep vrij snel dat het metaalpoets was waar zij haar fiets mee aan het poetsen was. Bijna gans de tube bleek leeg te zijn. En dat zag zij ook. Met verheven stem spelde ze me de les. Ik kon dus niet anders dan wachten tot de storm over zou zijn. Van weglopen was geen sprake omdat zij sneller was dan ik. Maar ineens werd het in de schuur nog donkerder dan het al was. Ik keek naar de deuropening en zag het onvermijdelijke. Ons moeder stond daar. Wat is dat hier? Ze moest het blijkbaar ook weten.
Ja, hij heeft hier over mijn tube gereden, riep mijn zus. Wablief? Naar binnen gij. Als een tornado wisselden mijn moeder en ik van plaats en hiermee was de ren begonnen. Ik had geen andere keuze dan met de vlugste beentjes de veranda in te spurten, en van daaruit naar de eetkamer. Ik wist al wat mij te doen stond. Zoals bij vorige gelegenheden het geval was geweest was dé straf, met gekruiste armen aan tafel zitten. En geen vin meer verroeren! Op zulke momenten bleken wij altijd vinnen te hebben. Ik heb ze nochtans nooit ergens gevonden. Met een onbedaarde moeder achter mij aan was het alleen een kwestie van daar zo vlug mogelijk te geraken. En dat deed ik ook. Misschien was dat nu juist haar razernij. Ze wist dat ze mij moeilijk kon te pakken krijgen en dat zal haar wel geïrriteerd hebben. Ik was nu eenmaal te snel. Ik vloog dus op één van de stoelen die bij de tafel stonden en stootte daarbij mijn knie hevig aan één van de pootplaten van de tafel. KLONG! Die waren daar zo onhandig geplaatst dat iedereen die ging zitten er zich wel een paar keer per week aan stootte. Die ‘klong’ kenden we dan ook zoals het geluid van lepel en vork. Miljaarde! Dit vlotte woord, dat ik pas van mijn vader had geleerd, wou ik uitroepen, maar ik hield wijselijk mijn mond gesloten. Op dat moment weigerde ik nog één gram verlies méér te incasseren dan ik al gedaan had. Met gekruiste armen en sippe lip kwam ik tot stilzit. Ik verwachtte de opdonder nu. Maar die was eigenlijk al een tijdje bezig, al van toen ze achter mij aan zat. Ik had daar wel niet veel van verstaan en ik schrok er wijselijk voor terug om het haar nog eens te doen herhalen. Meestal ging het over wat er voorgevallen was gegoten in een vorm die met stevige moraliteit onderbouwd was. Ons moeder was daar heel goed in.
En zo kwam het dat het wat kalmer werd op de duur en ik al eens durfde opzij kijken. Ik zag dan mijn moeder, ontdaan om het bezit van zo’n pennenvarken van een zoon. Ik begon zowaar spijt te krijgen omdat ik moeder zo van streek had gemaakt. Voor haar was dat het zoveelste crisispunt waarvan ik de oorzaak was. Dat kon ik makkelijk aanvoelen. Ik beloofde mezelf dan ook, in stilte natuurlijk, mijn leven te beteren. Maar een paar seconden later trok ik mijn belofte alweer in. Het platrijden van een tube metaalpoets kon toch niet zo’n drama zijn? Waar deden ze moeilijk over? Ik had hiermee eigenlijk mijn zus haar rug gered. Stel je voor dat ik daar tegenaan was gebotst. ‘t Zou mijn beste week niet geweest zijn, in plaats van mijn beste dag. Ik durfde er niet aan denken wat voor een herrie dat gebeuren zou uitgelokt hebben. Ze mochten, zeker mijn zus, blij zijn dat het zo verlopen was. Ik had de juiste keuze gemaakt, vond ik, en de slag toegediend aan iets wat zich weliswaar niet kon verdedigen maar tenminste geen enkele kik gegeven had.
Hoe die metaalpoets uiteindelijk opgeruimd is geraakt, heb ik ze niet horen vertellen. Er werd zelfs helemaal niets meer gezegd. Na een tijdje werd de tafel gedekt. Zwijgzaam werden de tassen wat harder neergezet dan gewoonlijk. Het gerinkel van het bestek was iets doordringender dan anders. Toch bleek de storm nu wel over. Ook het pakje met de platte kaas verscheen op tafel en werd open geplooid. Ik glunderde in mezelf. Dat zou smullen worden. En het duurde niet lang of ik zette mijn tanden in een malse witte boterham besmeerd met vette platte kaas en bestrooid met ‘kindjessuiker’. Overheerlijk! En ik dacht bij mezelf, dank je wel, mama.
Kindlief, wat heb je verdriet
Ik zie je al van ver, in de bocht van de weg
Je staat zo hulpeloos, met de fiets aan de hand
Als een witte vlek bij het groen van de heg
Wanhopig blijkbaar, zo alleen aan de kant
Kindlief, wat heb je verdriet
Op mijn snelle fiets ben ik dadelijk bij jou
Dan kijk ik wat er met je scheelt
Verlies je moed nu maar niet al te gauw
Zolang ik er ben die je wonden heelt
Kindlief, wat heb je verdriet
Vertel me eens, wat maakt je zo triest
Je tranen rollen naar benee, zo veel en snel
Is het een vriendje of je fiets die kiest
Hoe jij je nu voelt, het lijkt wel de hel
Kindlief, wat heb je verdriet
Oh, ik zie het al, de ketting heeft je beet
Hoe is dit nu gebeurd, hoe is het gegaan
Besmeerde tanden bijten zich vast in je kleed
Hoe kon je staande blijven, hoe heb je ‘t gedaan
Kindlief, heb maar geen verdriet
Ik help je graag, ik heb het weldra voor mekaar
Hef zo hard je kunt je fiets naar boven
Dan draai ik de trapper rond en zie ’t is al klaar
Je kleedje komt weer los, niet te geloven
Kindlief, heb maar geen verdriet
Wat je alleen niet kon, dat deden we samen
Zet je fietsje maar weer op de grond
Dan gaat je zakdoek op zoek naar je tranen
Die zijn gedreven en verspreid tot aan je mond
Kindlief, heb maar geen verdriet
Heeft mama je geen zakdoek gestoken in je zak
Die mama’s toch, ze gaan het nooit leren
Neem de mijne maar, hij is nieuw en zonder plak
Zo hoef jij er geen te ontberen
Kindlief, wat had je een verdriet
Kijk je lacht alweer om wat daarnet gebeurde
Of lach je dat ik je helpen kom
Of misschien wel omdat je je kleedje besmeurde
Och, wat maakt het uit, daar schijnt ze weer, de zon
Kindlief, wat had je een verdriet
Stap maar weer op je fiets en rij naar huis
Ik wuif nog een keer en laat je vrolijk gaan
Je bent alweer blij na al dat hels gedruis
Je lacht zo lief, voorbij verdriet, weg alle traan
Kindlief, voorbij is je verdriet
Vaarwel kindlief, ik ben je engel en gids
Roep me maar weer, het maakt niet uit hoe of waar
Ik kom je helpen zo veel ik kan, en vermits
Ik echt van je hou, ben ik bij jou in nood en gevaar
Ik herinner me niet precies meer wie het idee had opgevat een feestje voor oude schoolmakkers te organiseren. Maar op die dag waren we samen gekomen in een groot huis voorzien van een prachtige tuin, niet ver buiten stad. Het was een heerlijke avond toen, dat weet ik nog goed. De zon scheen helder en de lucht was mooi blauw, hier en daar doorstreept met wat dunne wolken. Overal voelde je de heerlijke warmte van de nazomer.
Omdat de meeste gasten nog moesten aankomen, besloot ik wat in de tuin te gaan wandelen. De bomen wiegden zachtjes in de wind en het geurde er heerlijk. Hier en daar was een krekel te horen en de vogels waren begonnen aan hun avondzang. Vooral de merels wilden alles en iedereen overstemmen. Een beetje dieper de tuin in, opzij van het grasveld, werd mijn aandacht getrokken door iets vreemds. Ik zag daar, tot mijn grote verbazing, een klein jongetje op een tapijtje zitten. Heel alleen. En mijn verbazing werd nog groter toen bleek dat hij daarmee op de lucht dreef. Je kon dat zien aan de zachte deinende bewegingen die hij met dat ding maakte. Het ging telkens heen en weer. Zoiets was het laatste wat ik zou verwachten. Zeker niet in een westerse tuin, zo dicht bij de grote stad. Je zou eerder een egel, een dikke nachtvlinder of een knokige vleermuis tegenkomen, maar dit? Dit leek me al te gek. Was het wel écht wat ik zag? Droomde ik misschien?
Ik besloot wat naderbij te gaan kijken. Ik verwachtte toen dat het figuurtje met doekje en al, opeens ‘ping!’, weg zou zijn, zich oplossend in het niets. Als het een droombeeld zou zijn tenminste. Maar dat gebeurde niet. Hij bleef daar rustig voor zich uitkijken, alsof hij op iets wachtte. Vol nieuwsgierigheid en toch wel met enige zin voor avontuur, liep ik naar het kereltje toe. Bij hem toegekomen draaide hij zich naar me toe en met een blij gezichtje keek hij me aan. Het trof me op dat moment dat ik iets in hem herkende. Het kwam me voor dat ik hem al eens eerder gezien had, maar ik kon me niet herinneren waar of wanneer. Hij zag mijn verwondering, knikte vriendelijk gedag en wachtte af wat ik zou doen of zeggen. Het initiatief was dus duidelijk aan mij. Voor de grap vroeg ik hem of ik ook even op dat tapijtje mocht gaan zitten. Hij had alle redenen om dat te weigeren. Het leek immers, voor mijn grootte althans, eerder op een carpetje. Comfortabel kon dat nooit zijn. Maar het mocht. En terwijl hij mijn verbaasd gezicht goed in de gaten hield, rolde hij van zijn zitje af en stond in geen tijd naast mij. Het was mijn beurt en hij wees met zijn hand van ‘doe maar’. Na wat onzeker gestuntel op één been, plofte ik mijn rechtervoet in het midden van het matje. Het was duidelijk te voelen dat het wel degelijk op de lucht dreef. Ik aarzelde dan ook om mijn volledig gewicht op de mat te zetten. Stel je voor dat je benen, door gebrek aan stabiliteit, plots opzij zouden slaan in een kelderende glijbeweging. Dan sta je voor joker natuurlijk en dat wou ik tot elke prijs vermijden. Maar nu ik aanstalten had gemaakt om het te proberen, wou ik toch doorzetten. Ik steunde nu volledig op mijn rechterbeen en trok snel mijn linker bij. Met wiebelende bewegingen stond ik daar als iemand die zich op een voorthollende olifant moest zien recht te houden. Het kereltje schaterde van ‘t lachen. Het moet inderdaad een stom zicht zijn geweest. Toen hij wat uitgelachen was maande hij me aan te gaan zitten. Hij wees me op een plat kussentje, dat ik hiervoor kon gebruiken. Vreemd genoeg had ik het niet eerder zien liggen, maar ik was nu toch blij het te kunnen gebruiken. Met blijvende onzekerheid ging ik eindelijk zitten. Ja, dit was toch wel al te gek. Hier had ik, vreemd maar waar, toch plaats genoeg. Het leek wel of het tapijtje een heuse tapijt was geworden. Ik kon me zelfs permitteren mijn benen naar voren uit te strekken zonder het risico te lopen dat mijn hielen over de rand kwamen. Dat zat lekker zeg. Ik keek naar de mat en voelde erover. Het golfde onder mijn handen. Fantastisch! En ondanks mijn gewicht kwam mijn zitvlak niet tegen de grond. Ik kon niet begrijpen hoe dat werkte.
Toen keek ik het jongetje aan. Met een kalme tevredenheid boog hij zich naar me toe en fluisterde, ja ga maar. En voordat ik kon vragen wat nu de bedoeling was, begon het te glijden. Eerst langzaam en dan zachtjes sneller. Even gaf het een gevoel alsof ik mij in een vliegtuigje in de lucht liet trekken, zoals op de kermis. Maar dit was anders, dit ging geruisloos en zo soepel. Het leek eerder of de tuin wegdraaide in plaats dat de mat vooruit gleed. Het versnelde gauw en niet veel verder zweefde ik al meer dan een meter boven de grond. Vlug keek ik achterom en zag het ventje daar staan met de handen in de zij. Snel keek ik weer naar voren omdat ik vreesde ergens tegenop te vliegen. Nu besefte ik pas dat ik een beetje te roekeloos had besloten om zo’n tochtje te wagen. Steeds hoger ging het en nog altijd geruisloos. Ik kreeg nu het vreemde gevoel niet alleen te zijn. Achter mij voelde ik een aanwezigheid die blijkbaar met vaste hand de vlucht in goede banen leidde. Ik waagde het niet meer om te kijken om me hiervan te vergewissen. Het ging al te snel. Stel je voor dat ik aan de grillen van zo’n tapijt zou overgeleverd zijn. Maar een innerlijke zekerheid stelde me gerust. Ik kon alleen maar blij zijn met dat gevoel. De lucht deed nu het tapijt zachtjes golven. Ik was al ver de tuin in en al flink op hoogte. Het was heerlijk, ik voelde geen hoogtevrees, zelfs al ging het hoger en hoger. Nu kreeg ik er echt zin in. Ik wilde nog hoger, zodat ik over de huizen en de bomen heen zou kunnen gaan. Maar dat lukte me niet. Ik begon te vermoeden dat ik aan de mat niets te bevelen had. De aanwezigheid achter mij had waarschijnlijk alles onder controle en bepaalde waar de reis naar toe ging. Ik hield me dus stevig aan de randen vast en wachtte af. In een wijde boog vloog ik nu over een paar muurtjes bezijden de tuin. Daarachter kwam ik in het zachte licht van de avondzon terecht. Het schitterende licht spoelde over mijn gezicht. Het voelde aan als een heerlijke balsem. De diepblauwe lucht koepelde wijds over me heen. Ik voelde de oneindigheid. Het uitspansel omsloot mij en ik werd er een deel van. Dit was pas heerlijk, dit had ik nog nooit beleefd. Ik ging achterover liggen in volledige overgave en zag alleen nog maar het diepe blauw van de lucht en de warmgele zon. Steeds hoger en hoger vliegend, scheerde ik nu in grote cirkels, hoog boven de toppen van de bomen. Een witte duivenvlucht vloog even met me mee en wendde zich dan plots in een andere richting. Ik richtte me vlug op om te zien waar ze gebleven waren en zag nog net hoe ze achter hoge bomen verdwenen. Wat was het zalig te zweven, net als hen, zonder er zelf iets voor te hoeven doen. Ik keek en genoot. Het was één en al heerlijkheid.
De zachte wind deed af en toe de mat een beetje klapperen. De zon scheen koperkleurig over mij heen. Die zou weldra ondergaan. Ik vermoedde dan ook dat het ritje wel snel ten einde zou zijn. Beneden zag ik de tuin al waar ik zojuist vertrokken was. In wijde bogen cirkelde ik rondom het huis. Steeds lager ging het en het verbaasde me dat het tapijt, nog altijd bestuurd door de vreemde kracht achter mij, met ongelofelijke precisie tussen de bomen vloog. Nog even en ik zou de plaats zien vanwaar ik vertrokken was. Ik keek al uit naar het jongetje om naar hem te wuiven. Hij zou daar zeker heel de tijd gestaan hebben om mijn vlucht te volgen. Maar ik vond hem niet. Vreemd, waar zou hij zijn? Ondertussen gleed het tapijt laag over het gras en vertraagde. Wat jammer dat dit zo snel voorbij is, dacht ik bij mezelf. Ik had best nog wel wat rondjes willen vliegen. Maar ik begreep wel dat daar niet veel aan te veranderen was. Het tapijt hield halt.
Even verder zag ik de achtergevel van het huis waar het licht al ontstoken was. Ik hoorde pratende en lachende stemmen. Oh ja! Dat ventje. Waar was hij nu? Ik keek koortsachtig in het rond, maar vond hem niet. Ik riep, hela!…ben je daar nog? Speel je verstoppertje, of wat? Maar er kwam geen antwoord. Ik keek nog even naar de blauwe lucht, net of hij daar ergens zou rond zweven, maar stilaan besefte ik dat hij nergens te vinden was. Toen drong het tot me door dat het wel wat koeltjes en vochtig begon te worden onder mijn zitvlak. Ik keek naar de mat, …maar oei, wat was dat? De mat was weg! Hoe kon dat nu? Ik veerde recht, klopte het gras van mijn broek, en liep de tuin rond. In elk hoekje en achter iedere boom keek ik of er iets van die twee te vinden was. Niets! Nu nog beter! Had ik dit nu allemaal gedroomd? Dat kon toch niet? Het leek allemaal zo écht. Verdwaasd keek ik rond en zuchtte. Hoe kon zoiets moois zo plots verdwijnen. Ik keek weer naar de lucht en zag dat de zon al onder gegaan was. Heel hoog in de lucht vloog er een witte vogel, zwevend op de laatste zonnestralen. Het leek net even of hij me riep. Maar dat kon natuurlijk niet. Ik verbeeldde het mij maar, net zoals het ventje, het tapijt en de zweeftocht.
Een beetje ontgoocheld liep ik in de richting van het huis. De avond voelde al koel aan en ik begreep dat het hoog tijd was om me binnen te laten zien. Zouden ze me gemist hebben? Ik had er geen idee van. Ik naderde de verandadeur, waar het gele licht van binnen naar me toe straalde. Nog een beetje verward ging ik naar binnen. In de woonkamer zag ik de genodigden druk met elkaar praten. Eens kijken wie er allemaal is, dacht ik. En voor ik mezelf op de één of andere manier kon voorstellen, keerden er zich enkele naar me toe. Ah! Wie we daar hebben! Hoe is het met je? Wat ben je verandert, zeg! We wisten niet dat je hier ook zou zijn! Kom, drink een glas met ons. Sommigen kiezen blijkbaar de achterdeur in plaats van de voordeur hé, werd er gelachen. Beduusd nam ik het glas aan dat mij werd toegestopt en we klonken op de gezondheid van iedereen.
Nog in gedachten bij het zweeftochtje dwaalde mijn blik af en keek op de rug van een grote, blonde kerel. Hij trok op een vreemde manier mijn aandacht. Wie zou dat zijn, dacht ik bij mezelf. Ik liep naar hem toe, zonder me nog te bekommeren om de anderen. Bij hem gekomen draaide hij zich naar me toe en glimlachte. En toen zag ik het. Hij was het jonge ventje dat mij zijn tapijtje had geleend! Potvertwee! Ik herkende hem meteen. Ik zag het aan zijn lach. Ik zag het aan zijn ogen. Pas nu besefte ik dat hij mijn schoolkameraadje was van in de eerste klas. Hoe kon ik dat vergeten zijn? Hij was het! Verdorie nog aan toe! Hoe kon hij daarstraks…en zo vlug… Ik begreep echter dat het geen zin had om op zulke vragen een antwoord te zoeken. Ik begon te lachen van geluk en omarmde hem. Hij was het waar ik me altijd zo goed bij gevoeld had. Hij, mijn beste vriendje. En nu stond hij hier, naast mij, als een volwassen kerel. Lange tijd was hij uit mijn leven geweest, verhuisd naar een andere stad. En nu terug… wat een treffen! Met stomme verbazing luisterde hij naar mijn verhaal over het kleine kereltje met zijn tapijtje. Ik vertelde honderd uit over mijn zweeftocht en hoe ik er van genoten had. Geboeid luisterde hij en zei tenslotte: dit wat jij nu vertelt, mijn beste, heb ik vorige nacht gedroomd!
Als iemand lijdt heb dan mededogen in plaats van medelijden
Medelijden hebben, is mee in zijn/haar lijden kruipen
Er aan deelnemen
Je verzwakt jezelf door zijn/haar lijden over te nemen
In je voelen en denken
Waardoor tegelijk zijn/haar lijden wordt bevestigd
Dit is een neergang voor beiden
Mededogen hebben is kennis nemen van zijn/haar lijden
Door naar hem/haar te luisteren en begrip te tonen
Blijf je bij je eigen
Hierdoor blijf je zelf in je kracht
Dat voelt de lijdende aan als een steun
Op die manier geef je hem/haar kracht
Wat zijn/haar zelfgenezend vermogen stimuleert
Ik ben een lichaam
Een schromelijk onbenul
In westers denken
Die zin houdt de mens
In onwetendheid gehuld
Over zijn grootsheid
Ik heb een lichaam
Als woning voor mijn spirit
Zomaar in bruikleen
Dan ben ik geest
Gevangen in het fysieke
Voor lering en groei
Telkens weer en weer
Vervoeg ik het nieuwe kind
De volgende les!
Ik geniet ervan
Te leven in stof verpakt
Het aardse doorgrond
Zo straalt mijn spirit
Vrij van aardse bindingen
Als ik overga
Dan heb ik geleerd
Liefde te herinneren
In al zijn vormen
Je ego dient om te overleven in de maatschappij
Daar wordt het spel gespeeld van macht/onmacht
Als je ego de leiding heeft over wie je bent
Bepaalt de buitenwereld je geluk/ongeluk
Is je ego zwak dan zit je in onmacht/groot ongeluk
Is je ego sterk dan zit je in macht/klein geluk
In onmacht voel je je verslagen en machteloos
In macht groeit je ego naar eigenwaan, wat een schijnkracht is
Beiden zijn niet vol te houden
Ontsnapping uit de macht/onmacht situatie
Problemen komen je ter hulp ook al lijkt het tegendeel
Ze geven je de kans je situatie te veranderen
Je kan 3 dingen doen…
Wegvluchten: je problemen komen steeds terug, je blijft in onmacht
Vechten: dat zorgt voor verdere isolering in je schijnkracht
Enkel in aanvaarding kies je voor redding
Vanuit onmacht groeit je wil – “Ik ga ervoor”
Kies in dat geval voor kracht, niet voor de illusie macht
Omdat macht je echte kracht maskeert
Zoek je kracht, keer je naar binnen
Vind wat jezelf echt wil, niet wat de buitenwereld van je wilt
Vind wat jij graag doet, je passie, want dat is je echte kracht
Geloof daarin en richt je leven daarop in
Daarmee bouw je kracht op
“Blijf bij uw eigen”
Zo maak je verbinding met je wezenlijk zelf, je Hoger Zelf
Dit is de bron van echt geluk
En zo wordt je ….
Ego niet meer dan een basis instrument van je Hoger Zelf
En raak je verlost van ongeluk en klatergeluk
Struikelen is niet erg
Weet dat je altijd opnieuw kunt beginnen
Laat ons beginnen met de lampenkap, in het midden van de zaak aan het plafond. Een koepel, zoals je ziet. Mogelijk een goed doordachte kopie van de bolle kop van de basiliek van Rome. Het hangt boven het hoofd van de pastoor en zorgt voor gelig licht of misschien wel, Het Licht.
De twee staande figuren zijn hier de baas. Het zijn vrouwen, de dienster en haar moeder. Deze laatste staat met haar, nu gesloten, groen kleed iemand te bedienen. Haar pakje grijs haar heeft wat weg van een eikel. Mogelijk een verwijzing naar vroegere capriolen. De dochter, als waardig opvolgster van haar moeke, is haar beste schijn ook al veel te vroeg verloren. Haar gedeukt gezicht is daar duidelijk over, hoewel de reet in haar blouse het nog probeert te redden. Ze denkt ondanks haar bouwvalligheid tenminste toch nog iets te kunnen offreren aan haar klanten. Een herinnering aan vroeger. De zin om te spelen of te drinken, wie weet? De aanwezige mannen kiezen toch maar voor het laatste. Ze grijpen wat nog kan omdat het niet te moeilijk is.
Zij zijn de gasten, allemaal oud en uitgedoofd, zittend omdat dit helpt voor een milder gemak. Ze zijn allen wreed teleurgesteld in het leven. Dat zie je overduidelijk aan hun uitgezakte gezichten. De halve kop van de pastoor in hun midden blinkt. Hij vangt het meeste licht terwijl hij zijn ware gezicht verstopt. Maar er vooral zijn! In het Licht! Een oude, verknochte gewoonte in opdracht van de papus. Van het gezicht van de omkijkende man uiterst rechts spreekt hierover een onmiskenbaar misprijzen. Misnoegd over zijn eigen mistig bestaan kijkt hij half naar de pastoor en half naar de dienster. Je voelt al het conflict in zijn maag, dat van inprenting versus lust. Van welke pot gaat hij eten!? Pakt hij de brug over de pastoor heen naar de dienster toe of laat hij zichzelf botsen met de moraal des levens. Beiden zijn opdoffers, dat beseft hij maar al te goed. De reden dat hij gelaten blijft zitten.
De dienster, een massief en intensief gebruikte dame met bollen en klossen aan haar lijf, voert een gesprek met een in hart en nieren klagende man. Aan zijn hoofd te zien heeft hij niet lang meer te leven. Een dood hoofd prangt zich al duidelijk door zijn vel. Het is zo’n man waar niet van af te komen is als je er eenmaal een praatje mee begint. Bleek en grauw als hij is van gelaat en leden. Hij is zoals zijn oude vest, dat heb je goed gezien. Welk een pronkstuk zou dat zijn in een museum van versleten gebruiksvoorwerpen.
Centraal en kijkend naar de toeschouwer zit de ouwe kolenboer. Duidelijk is dat hij er ook geen zin meer in heeft. Is zijn glas halfleeg of halfvol? Wie zal het zeggen. Het schuim is al lang weggezakt en alle prik is gelijk met het laatste belletje ontsnapt. Zijn strakke blik is zowel vragend als verdrietig; waarom is alles zoals het is? Kan iemand daar iets over zeggen? Nee beste man, dat kunnen we niet. De pet die hij draagt heeft de vorm van een elfenbank. Je weet, een elfenbank is een soort zwam die de taak volhoudt oud materiaal op te ruimen, vastgezogen aan een dode boom, doortastend en vooral onherroepelijk. Zo is het toch in het bos. Zijn rechteroor die een deel van het gelaat van de pastoor overlapt kleurt fel rood door het impregnerende licht van de lamp aan het plafond. Het vertelt één waarheid. Het sprankeltje hoop dat hij heeft naar een betere tijd. Het oor blijft star naar de dienster wijzen. Maar tegelijkertijd duidt het ook op het jarenlang het gedram van de pastoor te moeten aanhoren. Hij die zijn voorgekauwde moraalfilosofie zonder ophouden probeerde te slijten aan vooral mannen, de ruziënde hufters van de maatschappij, die welke hun vlag niet kunnen thuishouden en of te veel drinken en vloeken waar het niet hoort.
Kijk, de boel valt stil want het wordt al laat. De pastoor geeuwt met knokige vuist voor zijn mond terwijl de oogleden van de kolenboer bijna volledig toevallen. Uiteindelijk zal de mist van de sigaretten en de sigaar van de pastoor iedereen benauwen. Je gaat dat zien. Ze zullen gaan geeuwen en willen vertrekken naar hun beddenbak om daar weg te zeilen in een leegte. Moe van het gelal over steeds hetzelfde. Geen hoofd meer met nog iets in wat uitgesproken kan worden. En omdat de curve van het bier te ver gestegen zal zijn wordt net dat de factor die hen definitief in zwijgen zal doen vervallen. Dan schuifelen ze allemaal de deur uit. Dan zal het zaaltje leeg zijn. Dan zal het licht uitgeknipt worden, de deur achter de laatst opgestane door de serveuse worden dicht geklapt en met de sleutel worden vergrendeld. Dan zal het stil worden in de keet. Vergrijsd door een benevelde stilte, in dezelfde mist als in de hoofden van de mannen.
Eindeloos ijl, duizelig bijna…
Tot aan gewenning toe.
Opstoten van felle spanning,
Maankracht, zonnekracht of elementalen
Koud zweet, draaiende beelden, misselijkheid…
Neerliggen en wachten.
Onverwachts en menens draaide de hele kamer…
Een knijpende wrong in mijn hersenen
Onontkoombaar en bruut…
Ik zwijmelde en viel op de grond.
Machteloos, maar bij volledig bewustzijn
Gehuld in koud zweet.
Een onzichtbare kracht hielp me overeind…
Weg van de grote drempel
Ik wilde niet sterven
…
Een andere kamer tolde in een volgende keer…
Aan dezelfde greep geketend, wegdraaiend.
Ik sloeg op de grond.
De tafel trok ik over mij heen.
Mijn voorhoofd bloedde.
Misselijk zweet.
Hetzelfde lichtwezen hielp mij recht…
Ik leefde, dat besefte ik.
Ik wilde blijven, maar wist nog niet voor hoelang.
…
Het salon zwiepte rond in een derde keer…
Weer die klemvaste kneep,
Opgetild vanaf mijn plaats,
Op en weer neer in een wijde boog…
Smakte ik op de vloer, zonder rem.
Ik vloekte… ja, ik vloekte deze keer,
De vingers tastend aan mijn bloedend voorhoofd.
Dezelfde liefdevolle moeder hielp mij recht.
Ik besloot te blijven zolang ik mocht,
En ik bleef…
En kreeg een nieuw leven.
Soms volhardt je in iets waarvan andere mensen zeggen van ja, hoe is het mogelijk dat hij daar niet uitstapt. Het is toch te gek om zo verder te doen. Ik zou het anders doen, zeggen ze dan. Maar toch doe je voort. Tegen beter weten in, zo lijkt het. Gehoor gevend aan iets in jezelf dat je er toe drijft iets af te ronden waarmee je begonnen was. Je spontaneïteit vertelt je dat je goed zit. Je denken laat je erbuiten want je weet dat die geen goede gids is. Die is te zeer gevormd door anderen en daar wil je je niet door laten beïnvloeden.
Zoals die keer een meneer met zijn auto. Die had een lekke band wat hij blijkbaar niet wist. Of wist hij het wel en deed hij alsof hij het niet wist? Of kon het hem geen barst schelen wat de anderen ervan vonden?
Het ging als volgt…
Er kwam een auto voorbij. Naast het motorgeluid klonk er nog iets flapperend. Dat viel mij dadelijk op. Ik keek door het raam en zag meteen de lekke voorband van de automobiel die traag, netjes aan de kant, voorbij kwam gereden. Als een halfvolle zak slingerde het rubber mee met de velg. De chauffeur, een wat kalende oudere heer, dacht er blijkbaar niet aan te stoppen. Met wit-geperste knuisten aan het stuur en met starre blik vooruit, vervolgde hij vastberaden zijn weg. Hij wist het dus wel. Thuis is niet ver meer af, moet hij gedacht hebben. Dat was misschien ook de gedachte van de vrouw naast hem. Die keek met eenzelfde starre, maar duidelijk met angst beladen blik, naar haar man. Onderwijl hield ze met mollige handjes haar handtas in een stevige greep. Je kon zo zien dat ze niet echt begreep wat er mis liep. Was ze hardhorig of wist zij helemaal niets van techniek af, ik kon het mij alleen maar afvragen.
En hij reed gestadig door, duidelijk te traag volgens de zin van de andere automobilisten. Hij werd herhaalde malen toeterend voorbijgereden. Sommigen gebaarden daarbij met uitgebreide armbewegingen om de man duidelijk te maken wat er aan de hand was. Maar wie zich daar niets van aantrok was hij. Volledig in zichzelf gekeerd en overtuigd van zijn gelijk keek hij maar één richting uit, door de voorruit. En zo verdween hij uiteindelijk schommelend om de hoek.
Die chauffeur verdiende van mij een pluim. Niet omdat hij netjes aan de kant reed maar omdat hij zich niet liet intimideren door de andere automobilisten. En al stond hij voor gek, voor zichzelf had hij een reden om door te gaan zoals hij bezig was. Ja, het kon best dat hij die reden zelf niet kende. Maar dat maakte niet uit. Hij bleef bij wat hij deed, hij bleef bij zichzelf. En dat was voor hem de enige weg om iets in zichzelf uit te werken. Te doorleven als het ware. Anders zou hij dat nooit gedaan hebben. Zie je?
Ik reed over een verlaten weg naar de volgende stad toen het gebeurde. Het ging over dringende zaken die niet wachten konden. Ik moest er heen ook al regende het pijpenstelen. Aangenaam was anders. Om een of andere reden was ik afgeweken van de hoofdweg. Ineens bevond ik me op een weg die ik niet kende. Een kleine onoplettendheid had me blijkbaar parten gespeeld. Wat verder op de weg besloot ik terug te keren. Juist op dat moment begon de motor te sputteren. En jawel, motorpech! Verdorie, hier toch niet! Ik verwenste mezelf dat ik niet op de hoofdbaan was gebleven.
De auto kwam tot stilstand. Ik stapte uit, trok mijn jas over mijn hoofd en keek onder de motorkap. Ik zocht wanhopig in de kleverige motorruimte naar iets. Iets makkelijks, iets dat zo weer in orde te maken zou zijn. Dan kon ik zo weer verder. Maar ik zag niets abnormaals. Toen beklaagde ik mezelf dat ik zo weinig van mechaniek af wist. Het zou me een keer zuur opbreken en ja, nu was het dan zover. Ik zuchtte en keek over de weg. Geen levende ziel te zien. Nergens. Ik klapte de motorkap weer dicht en ging ontstemd achter het stuur zitten. Met fors geweld sloeg ik de deur toe. Ik was pinnijdig op mezelf. Eerst verkeerd rijden en op de koop toe nog in panne vallen. En alsof dat nog niet genoeg was blokkeerde mijn gsm ook nog. Ik had het rotding wel door het raampje kunnen keilen, maar ik hield me in. Daar zat ik dan. Wat kon ik doen? Denken, denken…
– Meneer, wil je me asjeblieft een schaap tekenen?
Ik schrok van het stemmetje dat van achter mij kwam. Met een ruk draaide ik me om en zag een jong kereltje met goudblonde krullen mij van op de achterbank aanstaren. Om zijn hals droeg hij een violette sjaal.
– Wat kom jij hier doen? vroeg ik geïrriteerd.
Hierop antwoordde hij niet. Er verscheen een soort van verrukking in zijn ogen toen hij zei:
– Ken je het avontuur nog van die meneer die met zijn vliegtuig strandde in de woestijn van Afrika?
Ik moest bekennen dat ik niet begreep waarover hij het had en ik zei hem dat dan ook.
– Kereltje, antwoord nu eens op mijn vraag; vanwaar kom je en wat wil je?
Maar weer antwoordde hij niet. Hij zei:
– Ik ben de kleine prins, ik woon op de kleine asteroïde B 612. Weet je het nog?
– Wat zeg je? De kleine….
Ik zag hem lachend naar mij kijken. Ja, nu begon het me te dagen. Dat verhaal had ik wel eens gelezen, jaren geleden toen ik nog in de schoolbanken zat. De kleine prins van Atoine de Saint-Exupéry.
Hij lachte omdat ik het me herinnerde.
– Ja, ik geloof dat ik het weet. Was het niet iets met een bloem waarvoor je wilde zorgen? En kwam er geen vos in voor?
Mijn boosheid zakte weg. Ik herinnerde me dat we dat boekje in de Franse les hadden moeten doornemen. Het ging toen over vertalen, leren uitspreken en over wat ze ‘grammaire française’ noemden. Maar hoe het hele verloop van het verhaal was, dat herinnerde ik me niet meer. Wat ik wel wist was dat ik dat boekje nooit had weggegooid omdat ik het gevoel dat het iets waardevols had. Het moest nog op zolder liggen.
De kleine prins begon te vertellen:
– Ik had op mijn asteroïde moeilijkheden met een bloem. Ik vloog naar andere planeten en asteroïden om vrienden te zoeken en om te leren. Overal kwam ik rare figuren tegen. En zo kwam ik ook op de aarde terecht. Na lang zoeken ontmoette ik een vos. Tem mij, vroeg de vos toen. Dan hebben we elkaar nodig en dan zijn we vrienden. Dan zijn we voor elkaar uniek in de wereld. Je kunt alleen maar dingen kennen door ze te temmen en er vertrouwd mee te raken, zo zei hij nog. En ik temde de vos.
En daarna heeft hij mij zijn geheim toevertrouwd. Hij zei: het is heel simpel, je kunt alleen maar goed kijken met je hart. Het essentiële is onzichtbaar voor het oog. De mensen zijn dat vergeten, zo zei hij nog. Je wordt voor altijd verantwoordelijk voor datgene waarmee je banden hebt geschept.
Ik keek hem verbaasd aan.
– Ja, maar wat heeft dat te maken met het feit dat je nu hier in mijn auto zit?
Weer antwoordde de kleine prins niet op mijn vraag. Hij vertelde verder:
– En toen kwam ik die vliegenier tegen die zijn vliegtuig wou repareren in de woestijn.
– Wat was daar ook al weer mee?
– Met hem ben ik vriend geworden. Ik heb hem toen naar de waterput gebracht, dicht bij de plaats waar ik geland was. Ik heb hem de essentie van water en van het leven leren begrijpen. En dat heeft zijn leven gered. Vanaf toen kon hij zijn vliegtuig in orde maken hetgeen hij dan ook deed. Het ging als vanzelf. Daarna zijn we elk naar huis gegaan. Ik kon niet langer blijven omdat ik verantwoordelijk was voor mijn bloem.
Ik dacht na over wat de kleine prins had gezegd.
– Ja, met wat zijn we bezig, mijmerde ik.
– De mensen, zei de kleine prins, stoppen zich in sneltreinen, maar weten niet meer wat ze zoeken. Ze maken zich overal druk over en toeren maar wat in het rond.
– Ja, dat is waar, zei ik.
Ik draaide me terug om en keek door de vooruit. Het regende nog steeds en het had er geen schijn van dat het zou opklaren.
– Ben jij ook een serieuze meneer? Heb jij de boodschap van de vos begrepen?
Ik moest bekennen dat ik me meerdere keren inliet met de zogenaamde belangrijke dingen van de wereld.
– Ja, af en toe probeer ik wel de dingen te zien zoals jij ze verteld. Maar makkelijk is dat niet.
– Gewoon doen, zoals vroeger toen je nog klein was. Wat belangrijk is, dat is niet zichtbaar. Datgene wat zichtbaar is, kan je alleen maar leiden naar de essentie. Kijk!
Ik keek en zag alleen maar regendruppels die op voor- en zijruiten haastig naar beneden dreven. Na een tijdje mijmeren werd mijn blik dromerig. Ik raakte geboeid door het spel van de druppels. Ik begon hun bewegingen te volgen. Ze renden als gekken en lieten een dun spoor na dat uiteindelijk kronkelend verdween. Sommige werden uit elkaar getikt door een nieuwe druppel die uit de lucht viel. Ze leken allemaal als vloeibaar kristal, die samen een ingewikkeld spel speelden. Ik raakte werkelijk gefascineerd en hoorde nu ook het tokkelen van de regendruppels op het dak van de auto. Het ritme verbaasde me. Het klonk als muziek in de oren.
– Ja, ik denk dat ik het begrijp, jongen. De essentie, dat is het waar het om gaat.
Ik keek in de spiegel maar zag de kleine prins niet. Ik draaide me om en zocht op de achterbank. Weg! Waar was hij nu, ik had geen deur gehoord. Vreemd!
Na een tijdje begon de regen op te houden. De zon brak door. Ik maakte aanstalten om uit te stappen maar besloot nog één keer te starten. Ik draaide de sleutel, de motor deed moeite en jawel! Daar ging hij. Nog even sputterde hij als wou hij nog wat onzuiverheden uitspugen. Maar hij bleef draaien. Dat was verdomme het toppunt! Ik trapte een paar keer goed op het gaspedaal. Dat klonk als muziek! Blij met deze wending zette ik de auto in eerste versnelling. Ik keek nog één keer achterom naar de plaats waar de kleine prins gezeten had. Hij had me iets geleerd, hij had me iets doen herinneren dat ik al lang vergeten was, te lang om goed te zijn. Ik keerde de auto en reed terug naar de hoofdweg. En waar ik rechts had moeten afslaan, sloeg ik linksaf, terug naar huis. Ik wou persé weten waar ergens op zolder dat boekje lag. En ik wou het direct lezen. Ik wou weten hoe het verhaal echt in elkaar zat. Ik wilde zijn boodschap door hebben. En ik gaf er geen moer om als niemand ooit zou begrijpen dat dit zo belangrijk voor mij was.