Woorden en reflecties
Naast zijn beeldende werk schrijft Rudic Leysen ook korte essays en reflecties.
Deze teksten verkennen thema’s zoals natuur, perceptie, bewustzijn en de zoektocht naar betekenis achter wat we zien.
Voorwoord
Van mijn moeder, die bij wijlen streng uit de hoek kon komen, kreeg ik naast het schildertalent ook het talent om te schrijven. Vandaag voel ik een grote behoefte haar daarvoor te danken, al ben ik daar eigenlijk een beetje laat mee. Zij ging immers lang geleden over naar haar thuis, in 1983 om precies te zijn. Zij was toen amper 57 jaar oud.
Zelf schreef zij artikels in een maandelijks tijdschrift gewijd aan cactussen en succulenten. Niet zo vreemd wanneer je weet dat er in die jaren een hele vereniging bestond van liefhebbers hiervan: De Cactusvrienden, gevestigd in Antwerpen. Daar was zij een onmisbare kracht.
Mijn eigen schrijven ontplooide zich pas jaren later, op een moment dat mijn aandacht meer naar levensbeschouwelijke vragen ging. Die zoektocht begon met een periode van inkeer.
Vandaag herwerk ik met plezier een vijftigtal verhalen die ik schreef in 2003 en 2004. Niet alle zullen hier verschijnen; sommige voelen voor mij vandaag te licht of te vrijblijvend. In hun plaats zullen er wellicht nieuwe ontstaan.
Deze kortverhalen draag ik daarom op aan mijn moeder. Zij was een sterke, idealistische vrouw met vele talenten. Ik ben dankbaar dat zij mijn moeder was.
Dank u mama, voor het leven dat je met ons hebt gedeeld. Je hebt ons veel gegeven.
Kortverhalen
Alemeria
Op een avond in mijn slaapkamer. Ik weet nog goed hoe het gebeurde. Ik had net mijn pyjama aan en wou het bed instappen. Plots kwam er een engeltje voor mij staan. Ik schrok. Zoiets verwacht toch niemand? Of droomde ik al?
In geen tijd was ze heel duidelijk te zien. Ze gaf licht, veel licht. Ze had een gouden gezichtje en witte vleugels om zich heen geslagen. Ja, mooi was ze wel. Ze zette zich vlak voor mij op de rand van het bed. Ik kon er niet langs.
Lieve meid, zo begon ik, wie ben jij?
Ze glimlachte alleen maar terwijl ze me aankeek.
Uit welke hoek kom je zo snel en wat kom je hier doen?
Weer zei ze geen woord. Droomde ik misschien? Het engeltje knikte van nee.
Oei, dan zitten we met een probleem. Jij ziet er wel heel anders uit dan onze meiden, vind je zelf ook niet?
Het engeltje knikte van ja.
Geef me wat tijd om dit alles te begrijpen, wil je?
Je ziet mij, antwoordde ze, zonder haar lippen te bewegen.
Hé, je praat! Maar niet zoals wij… Je bent zo anders, met dat gouden gezichtje en die witte vleugels. Je lijkt sprekend op een engel, zo één van uit de sprookjes.
Ze grinnikte en trok met haar schouders.
Ik herpakte mij.
Verschoning, maar je zit eigenlijk wel op mijn plaats. Waar jij zit trek ik meestal mijn sokken uit. Dat is het laatste wat ik doe alvorens ik in bed stap. Mag ik even gaan zitten? Dan kan ik verder met wat ik bezig was.
Ze gleed opzij en ik zette me naast haar neer. Ik keek haar aan terwijl ik de eerste sok in de hoek gooide. Nog steeds een beetje argwanend. De tweede sok ging dezelfde weg.
Zo, dat is dat, zei ik, gewoonlijk leg ik me nu te slapen.
Maar ik bleef haar aankijken. Haar gezichtje straalde warm. Maar toch… om eerlijk te zijn was ik er niet zo gerust in. Wat kwam ze hier eigenlijk doen? Ik verwachtte dat ze nu wel snel zou verdwijnen. Na mij een nachtzoen gegeven te hebben natuurlijk. Toen stond ze op en ging voor me staan. Haar vleugels wiekten daarbij heen en weer. Nu zag ik pas hoe écht mooi ze was. Om haar hoofd glinsterden kleine lichtjes. En haar jurk geurde naar roosjes. Met haar vleugels waaide ze een zoete warmte naar me toe. Daarvan schrok wel even omdat ik dat niet verwacht had. Wat was ze van zin? Was ik nog mezelf? Ik begreep dit niet.
Ga je weg, vroeg ik vertwijfeld?
Nee, ik ga niet weg, ik ben hier om je wat te laten zien.
Ze opende haar vleugels wijd open en hief toen haar hoofd op. Ik keek mee en zag boven haar een andere ruimte ontstaan. Dat was duidelijk niet meer mijn kamer. Dat was ruimte. Steeds hoger en hoger konden we kijken, als in een grote koker.
Hoever kun je zo gaan, vroeg ik haar?
Tot in de oneindigheid, was haar antwoord. Kijk nu eens naar je voeten, zie je die veders?
Ik keek omlaag. Inderdaad zag ik aan mijn enkels mooie witte vleugeltjes groeien.
Verbaasd vroeg ik: hoe komen die daar?
Ze ontstaan vanzelf wanneer je in deze ruimte kijkt.
Ik keek weer naar boven en zag de mooiste dingen. Heel veel sterren, planeten, werelden, nevels en meer van dat.
Wil je met me mee? Of ga je liever slapen.
Ik moet eigenlijk vroeg op, stelde ik, mijn plicht roept mij. Is het een lange reis?
Tijd bestaat hier niet, antwoordde ze. Als je wil kom je op dit zelfde moment weer terug. Doen?
Met die prutsen van vleugeltjes zeker, terwijl jij er grote hebt.
Het engeltje lachte.
Ik neem je mee onder mijn vleugels.
Oké, ik ga mee, maar zorg ervoor dat ik de weg terug vind.
Je weet zelf de weg terug, geloof me maar. Kijk met mij mee naar boven, dan vertrekken we.
En zo begonnen we stilaan de ruimte in te glijden. Steeds hoger ging het. Het viel me op dat er nergens kou was, ook al wapperde mijn pyjama als gek. We hadden al een flinke snelheid toen de blauwe hemel verscheen. De vleugeltjes aan mijn voeten deden hun best. Ze trilden net zoals die van kolibries doen. Een heel mooi landschap begon zich nu te vertonen.
Fantastisch zeg! Waar zijn we nu?
We vliegen door de eerste hemel, kijk maar goed.
Wauw! Zei je ‘de eerste’? Komen er dan nog? Hoeveel zijn er eigenlijk?
Zeven, antwoordde het engeltje.
Haar gouden gezichtje schitterde in de zon. Haar witte vleugels zeilden verder open. Hier was ze blijkbaar thuis, ze wuifde naar iedereen die ze tegenkwam. En ja, de hemelen werden mooier en mooier. We vlogen van de ene in de andere. Tot we in de zevende kwamen. Daar streken we neer in het zachte gras.
Oef, was dat vliegen zeg!
We hebben niet echt gevlogen hoor, antwoordde ze,
Hoezo, nee? En mijn enkelvleugeltjes dan? En die grote van jou?
Dat zijn maar symbolen die je zelf bedenkt om het begrijpbaar te maken. We zijn de verschillende dimensies doorgegaan. Eigenlijk zijn we nog steeds vlak bij je bed.
Wat zeg je?
Niet aan denken, waarschuwde ze vlug, anders ben je daar zo weer.
Oh, zit het zo! Het is hier zo fijn dat ik hier niet meer weg wil.
Ja, dat voel ik wel, zei ze. Daarnet zei je nog dat je plicht je riep.
Plicht? Pfff…. Zo dwingend is die ook weer niet.
Gelijk heb je, zo is het ook. Het is alleen maar een spel dat je daar speelt. Een soort van toneel, compleet met scenario en acteurs en decors. En je vindt dat best spannend en leuk om te spelen. Jullie doen dat heel serieus, soms een beetje té serieus. Soms voelt het aan als treurig of zelfs ronduit triest. Soms gaat het om venijnige tegenstellingen waaruit je dient te kiezen. Uit vrije wil, tenminste als je die niet verkocht hebt aan anderen. Je kiest al dan niet bewust de ervaring die je wilt gaan. Ook al heb je niet door dat ze voor jou nuttig is. Ook al is het via een omweg. Maar je wordt er wel beter van, bewuster, meer mens, beter mens.
Oh, die manier!
Kijk, als je zin hebt om wat te slapen kun je dat hier ook.
In dat hemelbed daar?
Het verbaasde me dat er zo plots een prachtexemplaar verscheen.
Wil je het niet eens proberen?
Dat lijkt me wel wat, ja. Vooruit, ik gooi me er even op.
En met een sierlijke duik kwam ik op het zachte bed terecht. Tegelijk vlogen er honderden rozenblaadjes in het rond.
Oh, wat een heerlijke geur! Ja, hier zal ik goed kunnen slapen.
Ik betastte vol genot het heerlijke bed.
Mag ik?
Natuurlijk, zei het engeltje en hielp me met de lakens. Tenminste, er ontstonden ineens lakens, uit het niets. Ze zei toch dat het zo werkte. Ik begon het te kennen.
Lig je lekker?
Hmmm! Ik knikte.
Slaap maar eens lekker door.
Ja, als ik me maar niet verslaap, morgen moet ik terug naar de baas.
Maak je maar geen zorgen, suste het engeltje.
Toen kwam ze heel dichtbij. Ze beroerde m’n lippen met haar honingzoete mond. Mijn ogen konden toen niet verder open. Een kus van een engel, niet te geloven!
Zeg eens, hoe heet je eigenlijk?
Glimlachend zei ze, mijn naam is Alemeria.
Alemeria! Allemachtig, wat een mooie naam. Ik gleed wat dieper onder de lakens, haar nog steeds aankijkend. Het hemelse bed knuffelde m’n lieve lijf. En het duurde niet lang of ik sliep…
Trrrt! Trrrt! De wekker snerpte.
Verdorie, spelbreker!
Ik richtte me op en gaf hem een dreun. Ik zuchtte diep. Oh, waarom ik? Daar zat ik nu rechtop met verwarde haren. Ik staarde voor mij uit. Had ik dit alles gedroomd of was het echt? Dat engeltje met het gouden gezicht! Waar was ze gebleven? Ik keek rond maar zag niets meer van dat alles. Oh ja, die kus! Was ik niet in de zevende hemel? Neen, het enige wat ik zag was de zevende kamer van het huis. Ik had ze zelf zo genummerd, jaren geleden. Verdorie nog aan toe! Ik zuchtte diep.
Toen kwam dat heerlijke gevoel in mij terug naar boven. Ik genoot ervan, een beetje stiekem. Even later besloot ik dan toch maar op te staan. De baas wachtte immers op mij. Ik zette mijn voeten op de houten vloer en vond mijn sokken in de hoek.
De volgende dagen dacht ik nog dikwijls terug aan het engeltje. Iedere avond verwachtte ik haar op de rand van mijn bed. Maar ze kwam niet meer weer. Toch vond ik dat niet zo erg. Ze had mij immers iets heel moois gegeven. Iets wat ik nooit en nergens ter wereld zou gevonden hebben. Ik voelde me zo blij dat ze mij dat gegeven had. Maar bovenal…. Omdat ik daardoor een ander man was geworden.
Apocalyps
Zwevend boven het nieuwe schip
Voor hen daar beneden eindeloos groots
Voor hen voelde het de enige god, tastbaar echt
Ze hoorden macht in het staal weergalmen
Grote opwinding op de dag van vertrek
Velen verdrongen zich als mieren
Proevend van de eer en glorie
Hunkerend naar het land ver weg over zee
Het logge schip trilde en zette zich in beweging
Bovendeks tumult en vreugde van dolle mensen
Hun krachten bundelend tot één gedachte
Onoverwinnelijk is de macht van staal en stoom
Zwevend met hen mee terwijl de avond viel
Poëtisch mooi, zo krachtig als een rots
Splijtte het schip het heldere water
Ongehinderd zich richtend op zijn verre doel
Van binnen lichtte het schip met heldere lantaarns
Muziek weerklonk tegelijk met lach en dans
Uitbundig genot, oh dat klein menselijk geluk
Door bedwelmende wijn opgewekt
De nacht viel en niets hield hen tegen
Van juichen en drinken, van alles teveel
Met gespreide armen op de boeg in trance
De illusie te zweven in de koele avondwind
…
Plots verschrikking voor een witte schim
Opdoemend in de verte met mateloze dreiging
Onbewust voor zij die speelden benedendeks
Door vermaak bespeeld in de roes van overvloed
Aarzeling en dan een snelle keuze
Helaas te laat genomen, verwrongen door angst
Niets meer kon het schip doen wijken
De ijsreus, monsterlijk en tartend vlug nabij
Een diep gebrul als van een doorstoken draak
De stalen buik van de god kraakte open
Meedogenloos gekerfd, gekwetst tot in de ziel
Een niets ontziende slag van donderend lawaai
Langzaam tuimelde het schip naar voren
Zoog gulzig water op en kreunde van pijn
Het feest ging door voor velen, anderen verstarden
Hun gedachten groeide, wij zijn verloren
Reddingsboten zegen neer slechts half gevuld
Krijsende mensen, ruzie en angst, walgelijk hard
Wanhoop bij velen, ongeloof bij anderen
De dood bij enkelen al diep in de ogen
Daar beneden mij verloor de god zijn kracht
En brak het geloof van hen die zich waanden
Als koningen of meesters in hun kleine lijf
Wanhopig gekerm en gehuil weerkaatsten overal
Vuurpijlen spuwden zich de nacht in
Verblindend, schimmig spetterend op de witte muur
Die zich keerde nog geen halve graad
In onschuld zich niet bekommerend om het treffen
Steeds dieper ging de stalen neus ten onder
Waar leven in een onvoorziene dood stikte
De sloepen deinden weg uit angst verzwolgen te worden
Door het zog van de god die verdronk
Het achterschip klom hoog boven het zwarte water
Scheurde met huilend gekerm het schip doormidden
Zeeg weer neer en sloeg drenkelingen met de dood
Tierend naar God, dan zwijgend als vermoord
Vechtende lichamen, zo verhard als ijs
Vluchtend voor niets dan de wurgende dood
Werden geholpen door hen die hun plaats afstonden
Om zichzelf de dood te gunnen, weg van onzinnig leven
De achtersteven zonk weg met luid gesis
Sneller dan de boeg verdween het in zijn donker graf
Sleurde het laatste licht naar de koude hel
De reus was verslagen, ter verdoemenis van zichzelf
De overlevenden krijsten huilend nog lang nadien
Roepend om hulp naar wie het horen kon
De doodsangst voelde te nabij om nog iets te durven
Waanzin scheurde hen open om hun wereld, die stierf
…
Lichtende gestalten verschenen en hielpen de zielen
Sloten hun ogen om niet meer te zien
Hoe vriend en familie hapten naar leven
Hun stem verstommend op weg naar lichtere oorden
De lichtwezens, mijn broeders, hielpen nog velen
Leidden hen weg ter ruste naar zachter velden
De sloepen wachtten met overlevenden, blauw en gek
Ze baden God ter redding van hun versteven leden
De ijsberg was gevlucht, de stalen god verdwenen
Sloepen werden opgepikt, lijken verzameld en geteld
Alleen die ene daar beneden mij, onberoerd verdronken
Vermist en nooit gevonden, werd vergeten voor altijd
Ik daalde langzaam neder en kwam hem naderbij
Ja, hij was het die ik beminde, hij als deel van mij
Nog even dwaalde zijn geest na wanhopig zoeken
En gaf toen zijn ziel terug aan mij.
???
Iedereen kent dit trieste verhaal. Ergens gelezen, er over horen vertellen of opgesoupeerd gekregen in verschillende films, series, documentaires en bergen literatuur. Van het goede te veel misschien? Mijn vader had een leesboekje waarin het werd verteld. Ik vond het een keer in een lade. De gravuretekening van het half gezonken schip tartte mijn zinnen. Ik was toen amper dertien jaar. Ik heb nooit de in 1997 uitgebrachte film van James Cameron willen zien. Ik gruwelde ervan.
Maar is dit verhaal van de Titanic het echte verhaal? Is het geen vervalsing van wat er werkelijk gebeurd is? Gemanipuleerd? Er bestaat een complottheorie die het niet lang heeft uitgehouden op het internet maar die ik wel heb kunnen lezen. Onder welke druk verdween die theorie zo snel?
De White Star Line had drie sterk op elkaar gelijkende schepen: de Olympic, de Titanic en de Gigantic (later de Britannic). Op een paar details na waren alle drie gebouwd volgens hetzelfde ontwerp. De Olympic was het eerst klaar in 1911. Hij kreeg verschillende tegenslagen te verwerken en had op zijn vijfde reis zelfs een aanvaring waardoor hij onbetrouwbaar werd geacht. De complottheorie stelde dat de namen van de Olympic en de Titanic werden verwisseld nog voor de Titanic zijn eerste reis had gemaakt. De nieuwe Titanic (voordien de ongelukkige Olympic) werd verzekerd voor 7 miljoen pond, in die tijd een gigantisch bedrag. Op zijn eerste reis verongelukte het schip door de aanvaring met de ijsberg. Op zich al vreemd. Maar wat er volgens de complottheorie werkelijk gebeurde was dat het schip werd getorpedeerd nadat het bewust stil werd gelegd. Een zwakke plek in de romp was voorzien. Een koud kunstje ergens ver in de Atlantische oceaan. Terwijl een ander schip in de buurt niet is komen helpen of dat niet mocht? Geen sprake dus van een ijsberg. De buit van de verzekering was binnen en de WSL was verlost van een onbetrouwbaar schip. Zwijggeld deed de rest.
In september 1985 zocht Robert Ballard naar het wrak van de Titanic. Er werd een documentaire gemaakt die ik op televisie heb gezien. Wat mij opviel was dat er geen enkel beeld van de stuurboordzijde getoond werd waar je de scheur(en) zou kunnen zien, veroorzaakt door de ijsberg. Op officiële schema’s van het schip wordt getoond waar de lekken zich bevonden. De eerste scheur bevond zich net onder de waterlijn. Waarom hield men die beelden achter? Het zou het ultieme bewijs geweest zijn dat de complottheorie niet klopte.
Hoe dan ook, de ondergang van de Titanic is één van de meest besproken tragedies in de geschiedenis van de scheepvaart. Maar is dat een reden om er zoveel ophef aan films, documentaires, series, literatuur, kunst enz. aan te besteden? Kwam het neer op het alsmaar herhalen van een leugen tot ze geslikt werd door de massa, generatie na generatie? Is dit alles niet één groot afleidingsmanoeuvre, een cover up operatie om te voorkomen dat er toch maar niets zou uitlekken? Een vuile streek waarbij het er niet toe deed hoeveel onschuldigen er de dood zouden vinden? Eén die bijgevolg doet vermoeden dat er naast deze nog vele andere cover up operaties zijn en zelfs nog worden gepleegd omwille van macht en geld. Nine-eleven? Het geeft in ieder geval te denken.
De brug en de bus
Als roerloze gestalten stonden we verspreid op de brug. Zwijgend. De hele omgeving was donker, haast kleurloos en kil. Zwart water kolkte onder de brug door. Dat deed me huiveren. Op de oever stond een vrouw met warme jas, papier in de hand. Eén voor één riep ze namen af. Onze namen. Haar stem sneed door de wind. Gespannen luisterden we. Maar te vlug zweeg de vrouw weer. We keken elkaar aan en wisten niet wat er volgen zou. Seconden later werd het duidelijk. Beweging en rumoer nu, haastig geloop naar de overkant waar een autobus stond, de deuren uitnodigend open. Ik wist niet wat ik moest denken, ze had me niet vernoemd! In een opwelling liep ik toch mee, geen idee waarom. Velen bleven op de brug, dat zag ik bij een laatste keer omkijken. Verstard stonden ze daar, niet in staat zich te bewegen.
Binnen in de bus was er licht, gelig warm. Het verdrong de avondlucht. Het leek wel magie. Toen we ingestapt waren liep de vrouw met de warme jas door het middengangetje. Ze keek iedereen aan en telde. Bij mij aangekomen hield ze halt. Wie ben jij?… Dit had ik kunnen weten. Ik negeerde haar en bleef strak voor mij uitkijken. Ik zou nu wel worden buiten gezet. Maar ze zei verder niets. Ze boog zich voorover en legde haar tengere hand op mijn schouder. Ze kuste m’n voorhoofd. Ik smolt en keek op. Ze stond tegen me aan en zag even haar grote donkere ogen. Kende ik haar?
De chauffeur sloot de deuren en startte de motor. Hij morrelde aan de handrem en met een schok vertrok de bus, de dageraad tegemoet.
De frisbee
Hoe het lot een vader op zijn taak wijst.
Ik had het schoteltje, op het strand, hoog de lucht in gezwierd. Volgens de regels uiteraard tegen de wind in. Op die manier verwachtte ik dat het netjes weer bij mij zou komen. Meestal was dat ook zo, of toch ongeveer. Maar met die ene worp liep het grondig mis. Ik had extra hoog gegooid, met een ferme zwaai. Mooi was het wel, dat gele schijfje tegen de diepblauwe lucht. Maar onverwacht zeilde het een andere richting uit, gegrepen door een hoge wind. Oei, ik zal moeten lopen. Het vloog over me heen, heel hoog. Ik keerde me om en zag vijftig meter verder mijn zoontje zich verblijden in een spel met potjes, pannetjes en mul zand. Ondertussen kwam het schoteltje met een vaart naar beneden. Ja, ik zag het aankomen. Ik begon als waanzinnig door het onwillige zand te lopen maar kon er onmogelijk op tijd bij. Verder lopen had geen zin. Met een droge maar duidelijk hoorbare tok plofte het onding op zoontjes’ hoofdje. Die sloeg eerst voorover en kantelde vervolgens opzij met de beentjes in de lucht. Daarbij strooide zich een waaier van zand over het ventje.
Een snijdend geluid rees op. Langgerekt en in herhaalde coupletten. Arm kereltje. Ik liep naar hem toe en probeerde hem te sussen. De met zand bespikkelde traantjes veegde ik af met mijn door zand grof geworden zakdoek. Uit zijn neusje stroomden rijkelijk dikke bellen die schitterden in de zon. Wat een leed! Hoe kon het gebeuren dat het schijfje zich zo misdragen had. Er was toch plaats genoeg om te landen? Wie was er fout? De frisbee, de wind, ikzelf of nog iets anders? Ik geraakte er niet uit. Ik pakte zoonlief op mijn arm en knuffelde hem. Dikke kusjes klonken als belletjes. Nadat hij bedaard was zette ik hem weer bij zijn speelgoed. En om hem de aanslag vlug te doen vergeten speelden we samen verder.
De zon speelde om haar vingers
Ik zat in een kerk waar geen warmte koesterde,
Waar lampenlicht het duister nauwelijks verjoeg.
Het winterse vocht sloop tussen de mensen,
Koude priemde in alle voeten,
Het deed ons rillen.
Waarom waren we gekomen,
Wie kon vertellen wat hier te vinden was,
Wist iemand hierover wat te zeggen.
Niemand…
Mensen staarden voor zich uit of keken naar hun koude handen,
In gedachten… en verdroegen het verblijf,
Voor de tijd die het duren zou.
Vooraan galmde een stem, versterkt door een microfoon,
Biddend over schuld en schuldenaren,
Dan weer zingend, eentonig en hol,
Altijd dezelfde stem voor altijd dezelfde woorden,
Hij wilde onze aandacht maar verkreeg die niet.
Niemand kon luisteren,
Al het denken was gesmoord, ieders gedachten leeg,
De afstand bleef.
En toch, mij gaf het een gevoel dat zich versterkte elke week,
Niet van vroomheid maar één door klank gevormd,
Gedragen door de stem die zong, door orgel ondersteund,
Gevoed door het lusteloze geprevel van het volk.
Hun luider snuiven, hoesten en schuifelen,
Doorsneden met het gezeur van een kind dat echode binnen de kerk,
Dat alles gekruid met wierookgeur en kaarsvet,
Gaf mij dat vreemde gevoel, nergens anders te vinden,
Stilaan vertrouwd op de plaats die eens vreemd was aan mij.
Ik leefde voort met het verworven gevoel,
En antwoordde geen gebeden meer.
Tot op een keer iets wonderlijks gebeurde,
Licht kwam schijnen vanuit één der ramen.
Het viel op een schare mensen links naast mij,
Het lokte mijn blik en ik zag warmte bloeien.
Eén zonnestraal viel op een meisje,
De zon speelde om haar vingers.
Het lieve kind genoot, haar blik gefascineerd,
Ze keerde zich verrast naar hen die haar bekeken,
En keek toen ook naar mij en glimlachte blij.
Ik lachte terug en voelde haar vreugde om wat haar overkwam,
Het beroerde al die het zagen, het gaf vrij wat erin besloten lag,
En ieder voelde het goddelijke wat de stem niet geven kon.
Ondoordacht stond ik op en liep naar het meisje,
Ze straalde met de zon om haar heen.
Ik herkende het teken als een warme genade,
Ik nam haar hand waar het licht op speelde,
En keek in haar ogen, en zei glimlachend, dankjewel.
Toen liet ik haar hand en ging naar buiten,
Ik had gezien wat ik zolang had gezocht.
Ik wist het zeker, het voelde goed, het bruiste in mij,
Het was licht, het was muziek, het was kleur en warmte.
Ik brak met zoeken in een stervend leven,
De muren doorbrekend met één armzwaai,
De dienst daarbinnen die mijn leven verstilde, verdween.
Daar stond ik dan buiten op de stoep,
De zon kleurde alles, ze straalde om mij heen.
De lucht tooide zich in koningsblauw,
Het geluid van vogels kwam naar me toe als leven.
Ik zag bloesems en het lokkend groen,
Ik verruimde mijn longen en ademde diep.
De wind streelde mij, mijn ogen laafden zich,
Voor mij wuifden bomen in de zoete ochtendlucht.
Gelukkig had alles zolang gewacht.
Aan mijn linkerkant lag een weg, nog glimmend van de regen.
Iemand nam een fiets uit het rek achter mij.
Het was het meisje uit de kerk.
Ze was nog steeds betoverend mooi, zoals tevoren.
Ze reed langs mij heen en zei vaarwel, heb veel geluk.
Nog even wuifde ze en lachte lief.
Toen reed ze verder, de horizon tegemoet.
Dodeneiland
Zeven mijlen ver in zee, in noordelijke richting, lag het dodeneiland. Het was een zwarte rots die grillig vanuit de diepte zijn kop opstak. Weerbarstig hard en niet te verslaan. Hij stond daar al sinds tijden. Bij vloed kroop het water tot aan zijn hals. Bij eb rees zijn lichaam hoog boven het water uit. Als wou hij zeggen: ik ben de heerser, ik ben de donkere macht. Wie hier komt, keert nimmer weer. Ik slok jullie leven op.
Deze gedachte leefde al zo lang bij de mensen op het land. Het was een spookbeeld overgeleverd vanuit oude tijden. Nooit werd er vrijuit over gesproken en nog minder durfde men er om te spotten. Er werd alleen maar gefluisterd wanneer de angst in hun gedachten woekerde. Iedereen huiverde en creëerde in gedachten een bijna tastbaar gedrocht. Eén die het leven naar zich toe zoog als je niet oplette. Het was de onontkoombare dood. Men verfoeide die kille plaats in verlammende machteloosheid. Zo werd de schim van het dodeneiland door hun eigen angst gevoed. Er nooit meer van terugkeren was te veel. Vissers voerden dan ook in wijde bogen om de vermeende plek heen. Ze vermeden de rots als de pest. En daarom kon niemand vertellen hoe het er eigenlijk was. Nooit had iemand hem gezien, want niemand had ooit de moed gehad erheen te varen.
Maar op een dag was er een jonge visser die, geprikkeld door al die verwarde verhalen, erheen wilde varen. Als hij zijn makkers zou gevraagd hebben mee te gaan zouden ze verschrikt: “Je bent niet goed wijs!” geschreeuwd hebben. Als hij overdag zou zijn uitgevaren dan zouden ze hem beslist tegengehouden hebben. Je moet wel gek zijn om alleen in een boot de zee op te gaan, en dan nog naar het dodeneiland! Maar een vreemd innerlijk gevoel trok hem er naar toe. Daarom besloot hij de dageraad af te wachten. Op een lenteochtend waaide de wind uit de goede richting. Hij koos de kleinste boot die er was. Met één zeil en een paar stevige roeispanen zou hij het wel klaren. Hij waagde zijn kans en was vastbesloten te gaan kijken. Hij vertrok in alle stilte. Er was net genoeg licht om veilig het haventje uit te varen. Een kompas en het zeil dat hij spande hielpen hem. Het lukte. Nu kon niemand hem nog tegenhouden. Hij wilde weten!
Na vele uren roeien kwam hij in de omgeving waar het dodeneiland vermoed werd. Hij keek om zich heen en zag het water uitgestrekt tot aan de horizon. Ja, daar in het noorden moest het zijn. In de verte zag hij het water bijna onzichtbaar overgaan in een donkere lucht. Jachtige, grauw gekleurde wolken dreven er laag over het water. Hij roeide verbeten verder. Na een tijdje hield hij stil en legde de roeispanen in zijn bootje. Hoewel de wolken driftig door de lucht joegen, bleef het zeil bijna roerloos stil hangen. Ook het water was ongewoon kalm, alleen zachte rimpels trokken er lange strepen. Het was ijselijk stil. De indringende koelte deed hem rillen. Hier kon de rots niet meer ver af zijn. Dat voelde hij. Maar zover hij kon zien, was er nergens een spoor van te vinden. Hij besloot wat te rusten. Hij legde zich neer en keek naar de wolken die grillig een weg zochten naar het noorden.
Vermoeid als hij was, sliep hij in. Een droom voerde hem mee. Beelden en geluiden kwamen in hem op. Hij droomde van het water rondom hem en hoe de wolken over hem heen vloeiden, veel dichterbij nu. Er was geen kilte en het verwonderde hem dat het bootje nu helemaal stil lag. Hij richtte zich op omdat hij een bars gekraak te horen. Wat was dat? Hij keek opzij en verstijfde meteen. Een beetje verder, in het halve duister, verhief zich het dodeneiland uit het water. Een zinderende rilling trok door zijn lichaam, als een schok bijna. Meters hoog torende de glimmende rots boven hem uit. Een hevig dreigend gevoel overspoelde hem. Nee, dit was niet zo maar een rots. Dit was een gedrocht dat zoveel angst in zich hield dat je gek moest zijn om dichterbij te komen. Alles leek doordrongen van gif. Ook de zwarte cipressen die er stonden, straalden de dood uit. Vooraan was er een trap gebouwd die naar een platform leidde. De twee brede stenen die ernaast stonden maakten deel uit van een omwalling die het voorste vlakke gedeelte omsloten. Ze stonden als sterke tanden op een bijtgrage onderkaak. Achter het vlakke gedeelte, tegen de steile wand stonden de cipressen. Hun toppen wuifden driftig in de kille wind. Overal zag hij kijkvensters in de rotswand uitgehouwen. Geen licht brandde er. Alleen een fakkel, links tegen de rotswand, joeg zijn geel licht tegen de gladde muur aan. Daarbinnen moest dus iemand zijn. Aan de rechterkant was een grote poort uit de rots gehouwen. Daar was de toegang naar de dodelijke ingewanden. Hier waren mensenhanden aan het werk geweest. Maar hoe kon dit bestaan? Wie had dit gebouwd? Welke krankzinnige geest had dit bedacht?
Nog verward door het plotse aanschouwen zag de jonge visser nu tot zijn grote verbazing een bootje komen aandrijven. Daarin stond een grote gedaante met een wit gewaad over zich heen. Hij had geen gezicht. Roerloos stond hij daar. Achter hem zat een gehurkte gestalte, de handen voor het gezicht geslagen. Willoos liet hij zich meevoeren door de witte geest. Het bootje bewoog als vanzelf. Het sleepte de roeispanen als twee slappe armen met zich mee. Het voer recht naar de rots. Daar aangekomen stapten de twee gedaanten de trap op. De dood, dacht hij, dat moet de dood zijn die iemand gehaald heeft. Die arme stakker! Daar zal hij nooit meer van terug keren. Vervolgens zag hij hoe ze de poort binnen gingen. Een oranjekleurige gloed die de hal verlichtte laaide plots op. Nog even speelde hun schaduw op een zijmuur vooraleer de zware deur weer dicht sloeg, geluidloos. Het bootje, waarmee ze gekomen waren, dreef langzaam weg. Giftig gekleurde wolken joegen nog steeds door de lucht. Veel te snel. Er heerste een klamme sfeer. De visser keek naar de rotspunt die in het midden hoog de lucht in stak. Vreemd, die had dezelfde gedaante als de witte man daarnet in het bootje. Zonder gezicht maar toch indringend kijkend naar de wijde omgeving of misschien nog verder.
Maar toen ineens, geheel onverwacht en zo snel, zette zich een klein vogeltje op de boeg van zijn bootje. Het fladderde wat met zijn vleugels en piepte vrolijk. Rrrt! Het was alweer weg. Een vogeltje! Hier? Hoe kon dat? Hij keek het na maar het was al uit zijn zicht verdwenen. Op dat moment brak de zon door de wolken. De jonge visser keek op. Een dun gelig licht bescheen zijn gezicht en het dodeneiland. Er veranderde iets, het leek alsof er iets was toegevoegd aan deze onheilspellende plaats. Kwam het door het vogeltje? Ja misschien wel. De trilling van de angst was niet meer zo intens als tevoren. Iets van de boosaardigheid ebde langzaam weg. Nauwelijks had hij dat opgemerkt of hij zag het water achter de rots zich verheffen. De vlakke zee rees geluidloos op. Zo ver hij kon zien zwol het water op, steeds hoger als een immense bult die steeds dichterbij kwam. Het dodeneiland gaat overspoeld worden, dat zag de visser aankomen. Even later, toen de waterrug hoger dan de rots was en tot vlakbij was genaderd, kwam er een zwarte figuur van tussen de bomen vandaan. Op hetzelfde moment vloog er een soort vliegend reptiel weg, die verscholen had gezeten op het linker gedeelte van de rots. De kreet die het gedrocht uitstootte ging door merg en been. Het klonk als de dood. De zwarte man liep naar de fakkel die tegen de rotswand hing en haakte ze af. Met een enkele zwaai wierp hij ze in zee. Sissend doofde het vuur en liet een groenachtige rookpluim na. Toen verdween de man weer door de poort aan de rechterkant. Vreemd allemaal, waarom zou hij dat doen? De jonge visser dacht na.
De slag was nu nabij. De visser keek toe. Hij zag het water tegen de rots aanbeuken. Met een geweldig gekraak brak die af en tuimelde voorover, de zee in. Water spatte meters hoog de lucht in. De zwarte cipressen werden mee naar de diepte gesleurd. De rotsblokken kantelden alsof het kiezeltjes waren. In geen tijd was er van de rots niets meer te zien. Zo waste de vloedgolf het dodeneiland weg. Toen zakte de grote golf weg en werd de zee weer vlak. De zon die laag over het wateroppervlak scheen werd nu veel helderder. De wolken, spookachtig gekleurd door het lage licht, werden dunner en vluchtten weg. In hun plaats klaarde een helder blauwe lucht. Alle duisternis was weggevaagd. Een helder licht scheen nu volop.
De zon brandde de visser op het gezicht. Hij werd wakker, richtte zich op en keek verdwaasd om zich heen. Hij had de tranen in zijn ogen. Hij had in zijn droom gezien hoe enorme krachten het gedrocht hadden vernietigd. Er was geen dreiging meer, geen spanning die eeuwen was gevoeld. Hij zag het stralend groene water dat zacht over en weer golfde. Hoe was dit mogelijk geweest. Hij dankte de hemel. Heel de omgeving had nu een lieflijke uitstraling. Hier en daar tuimelden vissen uit het water omhoog, vrolijk spelend. Hij genoot er van. Hij zag dat alles nu mooi en goed was en besloot na een tijdje terug te varen naar huis. Hij keerde zijn boot in de goede richting, spande zijn zeil en vertrok. En zoals altijd was de terugweg korter dan de heenreis.
Met zijn droom nog levendig in gedachten kwam hij de vissershaven binnenvaren. In volle zon gleed hij naderbij. Natuurlijk stonden ze hem op te wachten. Men had hem verloren gewaand, zoals anderen opgeslokt door het dodeneiland. Maar toen spelende kinderen het zeil hadden gezien dat over de zee dichterbij kwam, juichte iedereen om zijn thuiskomst. Deze keer was het blijkbaar anders verlopen. Toen hij voet aan wal zette vertelde hij honderduit over zijn droom. Hoe de rots werd verzwolgen door de zee en hoe alles een lieflijkheid als geen ander begon uit te stralen. En vooral vertelde hij over het kleine vogeltje, hoe die blijkbaar alles had doorprikt. De mensen luisterden gespannen. Hij keek ze aan en voelde dat ook zij veranderd waren. De angst en dofheid die hij zo vaak in hun ogen had gezien, was verdwenen. Iedereen had nu een lach op het gezicht. Ze straalden zoals de zee dat deed, daar in het noorden. De jonge visser had hen immers gered, verlost van een kwelling die hen in angst hield. Nu waren ze plots bevrijd, in één onooglijk klein moment, dank zij het vogeltje en de jonge visser die de moed had gehad te gaan kijken. Hij, geboren uit zijn volk waarvan hij hield, had samen met hen een hersenschim losgelaten.
Essays
De Rasi Landing op aarde
(Extract uit een belichting van 30/6/2010 – met dank aan L. Van de Velde)
Het prachtige stelsel EL – AM – RAA . Drie prachtige planeten die op elkaar waren ingespeeld waren plots in neergang. Ze begonnen elkaar te beoorlogen. En het is de planeet AM die begon maar op aanstoken van EL, de hoogstaandste planeet, de meest verheven. Deze met de meest verheven soorten mensen. AM – RAA gingen ten onder. Ghili was een bemande planeet die behoorde tot het AM stelsel. De EL bevolking probeerde zich op Ghili in veiligheid te stellen. En het toegenomen licht van de planeet maakte dat zij eraan kapot ging. Ze was er niet op gebouwd. De plotse verheffing van deze planeet Ghili maakte dat zij werd uitgehold. Er kwam een soort virus in het gesteente terecht en alles werd bros en broos. Net op tijd kon een deel van de bevolking vluchten in schepen. Juist bij de laatste periode van verval werd ergens een ver signaal opgevangen in een ander sterrenstelsel, in een ander galacticum, in een ander galaxy. En dat was de aarde. En men voelde de grootheid van de aarde, de kracht van het leven dat daar op was. En die planeet had net dezelfde code als diegene die Ghili had bij aanvang toen de bevolking van EL daar nog niet was op geïmmigreerd. En de Ghili vertrokken en reisden 600 jaar lang en kwamen bij de aarde en zagen de mistelling. Ze hadden alles mis geschat. De enorme diersoorten die er toen op aarde leefden hadden de uitslag vervalst van leven en grootheid van leven op aarde. Die dieren waren niet intelligent maar biezonder knap in het bedenken van strategieën. En die energetische intelligentie kon gelezen worden op afstand. Er waren enorm veel dieren, grote kuddes, en prachtige vegetatie. Buildinghoge vegetatie.
Er zat niets anders op dan te landen in die vijandige wereld. En te proberen deze naar de hand te zetten van de survivers. En de schepen begonnen de aarde te naderen en beseften dat er te weinig kracht aan boord was, te weinig geestelijke kracht om met z’n allen tegelijkertijd te landen. Daarom begonnen de bemanningen met groot aantal te slinken. Eén voor één stierven ze, bij bosjes eigenlijk. Ze hevelden hun geestkracht over op de survivers. Op den duur schoten er van de duizenden opvarenden maar een vierhonderdtal meer over. En deze maakten zich klaar om naar de aarde af te dalen. In volle rouw, in vol verdriet. Het was vragen om miserie want dan ben je niet oplettend. Dan kun je door je tranen heen nauwelijks je missie nog zien. Hoe kun je je vermannen. Een volk dat in de rouw was en zich te pletter wierp op aarde, dat waren de Ghili samen met vele anderen.
De cluster van Rasi tuigen of Ghili tuigen of hoe je ze ook wil noemen kon opgedeeld worden in units. Ze werden tot een soort van stelts, zo kan men het noemen. Uiterst aandachtige en stille tuigen die zich boorden doorheen de dampkring. En dan zichzelf lieten glijden naar beneden. Maar ze hadden niet goed gerekend. Er was te weinig tegenwrijving om fatsoenlijk te landen en twee van de drie landingen mislukten. In feite is het deze die in de Mekongvallei landde, degene die het best gelukt is. Maar die in de Nevada woestijn terecht kwam ging grondig ten gronde. Een paar survivers maar. En die aan de Boven Nijl, daar waren de meeste survivers maar ook het grootste averij. Al gauw konden deze drie schepen met mekaar geen contact meer maken. Hun telepathie daalde zienderogen door de lagere trilling aan het aardoppervlak. En de tuigen om te communiceren moesten hersteld worden. De crash heeft zich genesteld in het celgeheugen.
Commanders of de Fleet worden jullie vandaag genoemd. Maar destijds waren er eigenlijk geen echte commandanten. Dat was niet nodig vermits het schip in z’n totaliteit een brein bezat. En dat brein hoefde zich niet mee te delen aan een lichaam. Het hing daar ahw in die omarming van de ring en hield het tuig op koers en gaf instructies. Het zijn zulke breinen die men zich nu moet voorstellen in de Raad van de Federatie, in de Council of Nine. Daar zitten geen gestaltes, daar zitten negen breinen. Ze zijn zo groot dat ze hun instructies of hun zijnswijze kunnen uitlenen aan tuigen, uitlenen aan volkeren, aan nederzettingen. Zij bezielen op afstand. Een beetje zoals Maodèn deed maar dan nog grootser, nog indrukwekkender. Wen er maar aan dat ook hier op aarde in de toekomst zulke meesterbreinen zich zullen neerzetten en veilige havens creëren waaronder dan hun soortgenoten of de afstammelingen kunnen samenstromen. Ongeveer 147. Wij noemen deze plekken waar die meesterbreinen zich zullen vestigen de oorden van herstel.
Toen de landing eenmaal was gebeurd was er alleen maar consternatie, een soort ontzetting die als een golf over de planeet ging. Zelfs de dieren waren helemaal van slag. Er waren niet alleen drie tuigen in de aarde ingeslagen alsof het kometen waren, er waren vele inslagen in die tijd. De meeste grote kraters die er op aarde bestaan zijn in dat tijdperk tot stand gekomen. Zo oud is de landing van de Ghili.
Eenmaal op aarde verzochten ze hun grote meesters in de zone, in de hogere wereld om hun volkerennaam Ghili te mogen vergeten. Een volk dat smeekt om vergetelheid is geen volk meer. Ze zijn slaaf van hun eigen emoties. En zo was het. Slechts enkelen bleven standhouden en konden zich telepathisch blijven verbinden met de communicatie platformen thuis. Want er waren er nog een paar achtergebleven in EL – AM – RAA. Maar dan meer een soort van stelsels op drift. Geen bewoonbare planeten meer, enkel nederzettingen die zich als clustertuigen verder bewogen doorheen hun stelsel. Contact houden met het thuisfront bracht een verschrikkelijk heimwee op gang. Daarom noemden de mensen die toen op aarde kwamen leven zich de Wohan, zij die heimwee hebben naar huis. Dat heimwee werd hun wezenskenmerk. Ze konden nauwelijks lachen, waren droef, melancholiek en probeerden alles uit om hun leven te veraangenamen. Die eerste wezens hebben er bijna duizend jaar over gedaan zonder te lachen. Dan pas begon er vreugde te komen omdat er ook andere inzaaiingen gebeurden.
Wezens vanuit andere stelsels begonnen te incarneren of af te dalen. En er kwam een diversiteit aan nieuwe mensensoorten op aarde. Stapsgewijs begonnen ze zich voort te planten door zich te verbinden met diervormen die waren geëvolueerd naar een hogere status, oa de aapachtigen. Het is vreemd dat de mens nog altijd blijft geloven dat hij van de aap afstamt. Dat is niet zo, hij stamt af van de engelen en er zijn volkeren ingezaaid op aarde die hun ontdichting in dienst hebben gesteld van het ontstaan van een mensenras. Zij zijn dus vergrofstoffelijkt en hebben zich vermengd met veredelde diersoorten om op deze manier de aarde te voorzien van nieuwe intelligentie. De rest is allemaal voor de toekomst. Het zijn theorieën die nu niet zo van belang zijn.
U had het over de geslotenheid. De Wohan waren een bijzonder gesloten volk. Ze spraken nauwelijks. Ze hielden zich aan hele oude codes van samenleving. De achtvormige ster van gebouwen rondom een plein was kenmerkend bijvoorbeeld voor alles wat ze in handen namen, alles had acht punten of acht vlakken of acht cirkels. Ze wilden herinneren aan de volmaaktheid die de opdracht is van verbinding tussen alles wat geschapen is. De Wohan zijn meesters in verbinding. Zij verbinden moleculen, zij verbinden groepen, zij verbinden regio’s, ze verbinden wijsheid of inhouden met elkaar. Constant zijn ze verbindingen aan het maken. Het heeft geen zin zich af te vragen waar die geslotenheid vandaan komt. Het heeft te maken met trauma. En dat trauma is een typisch Wohan trauma of een Rasi trauma.
Maar de Rasi zijn uiterst creatief. Het zijn de dichters, de schrijvers, de kunstenaars, de profeten, de poëten. Het zijn die wezens met hun muzikaliteiten, een soort musische aard die ze zo graag aan de oppervlakte zouden zien komen maar die in dit leven in feite bijna opzettelijk op het achterplan wordt geschoven. U zit er mee in, waarde heer die de vraag stelde. U zou zo graag hebben dat uw creatieve aanleg ten volle zou kunnen open bloeien maar in feite is het uw zwaardere alerte uitbouw die u nekt. U is constant aan het voelen en heeft te weinig energie over om zich met de creativiteit bezig te houden. Of het nu opzet is of niet moeten we in het midden laten maar jullie worden in dit leven voor iets anders gebruikt. Meneer is geen musicus die hier ook aanwezig is en u die de vraag stelde is geen poëet. Maar jullie zijn wel dat soort van creativelingen geweest in andere levens. Grote uitvinders op het musisch vlak. Grote creatieve geesten.
Het is die creativiteit die jullie hebben moeten aanwenden na de crash op aarde. De tuigen werden uit elkaar genomen en tot nieuwe bouwsels in elkaar gezet. De prachtigste architectonische vondsten werden er gedaan. De verluchtingssystemen, de klimatologische regelaars, alles werd herbruikt, alles kreeg een functie. Elk onderdeel werd gebruikt al was het maar om een juweel van te maken. De creatieve kracht werd aangewend als een soort van heling. Dat was ook nodig van dat te doen want er was zoveel verdriet. Al die gestorven kompanen. Jullie vergeten dat er alleen maar mannen op aarde overbleven na de crash, geen vrouwen. De Wohan waren mannen. Hoe moesten ze overleven, ze konden zichzelf niet meer opdelen. Daarom begonnen ze aan een kweekprogramma. Het was noodgedwongen zo. Er werden celculturen opgezet om vrouwelijke wezens te kweken. Daar was materiaal genoeg aan boord geweest. En zo werden ideale vrouwen gecreëerd. Het is een droevig verhaal. Het lijkt een beetje op het Adam en Eva verhaal. Adam was best wel van goeie intentie maar die Eva! Ambitieus dat ze was en lastig om mee overeen te komen. Zo nieuwsgierig en zo beredderend en intermediërend en overal zich mee moeiend bijna, zouden we durven zeggen. Wel zo waren die eerste Wohan vrouwen. Maar er werd aan gesleuteld en gesleuteld. En op den duur was de zesde generatie perfect.
Op deze manier hebben jullie een nieuw volk gestart. Maar zelfs dan was het nog niet mogelijk om echt grofstoffelijk overeind te blijven. Daarom werd er een reeds aanwezig volk dat klein was van was en er uit zag als kleine beertjes tam gemaakt en dienstbaar gemaakt. En met hen werd er dan weer een nieuw kweekprogramma opgezet. Daaruit is het Egyptische volk, of moeten we zeggen het Nubische volk voortgekomen. De Nubiërs zijn daar een afstamming van en vervolgens pas het Nijlvolk. Het is belangrijk om al die tussenstappen goed te begrijpen. Noodgedwongen zijn er dus fatale fouten moeten gemaakt worden. Het was de bedoeling dat de aarde een nieuw volk zouden onthalen. Maar de landing mislukte en daardoor moest er wel tot noodprogramma’s worden overgegaan. Maar zelfs daarover hebben jullie vaak het hoofd geschud. Komt dat wel goed. Wel kijk nu om je heen. Hoe zou het kunnen dat er nu zoveel vriendschap is en gehechtheid onder jullie als de missie niet op lange termijn geslaagd was. Jullie zijn hier toch maar, jullie hebben het toch maar gehaald.
En duizenden jaren later is er nog steeds die gehechtheid en nog steeds die herkenning. De programma’s die toen ingeladen zijn in het celgeheugen om te kunnen herinneren, om elkaar terug te kunnen vinden bestaan nog steeds. Vandaar dat dit geheimzinnig magnetische vandaag op aarde wonderen verricht. De trilling is nu net groot genoeg om die magnetische aantrekkingskracht te activeren waardoor soort bij soort kan komen. Wohan, verenig u! zou ik willen uitroepen. En als codewoord: YA – AM – NA! Dat ben ik. Als men mijn naam noemt is dat een vrijgeleide. Weet u dat hij ondertussen reeds op balken van woningen prijkt, deze naam? Ik ben er oh zo fier over. Want dat betekent dat men zich herinnert. Ook vroeger werd deze term YA AM NA als een mantra van overgave boven de deurposten aangebracht, gebeiteld of geschreven in onze letters van onze planeet. Men zal dat schrift terugvinden. Het lijkt een beetje op de hiërogliefen en een klein beetje op spijkerschrift maar het is niet helemaal hetzelfde. En men zal het niet kunnen lezen behalve als men er zich energetisch mee verbindt. Maar goed, zover zijn we nog niet.
Begrijpen jullie waarom dat creativiteit nu op een ander plan moet functioneren? Als hobby kan ze dan wel weer ontluiken. En wellicht zullen jullie, wanneer je tot de leeftijd van rust zijt gekomen wel zeer creatief worden op de stervelingenmanier. Maar nu moeten jullie de creativiteit vooral aanwenden om elkaar terug te vinden, om een volk op te sporen, om oude zijnswijzen binnen te halen en geheugen te activeren. Men heeft er geen idee van hoeveel energie dat vraagt. En ergens is er dus een stopteken dat gigantisch groot voor het geestesoog verschijnt wanneer men zich wil overgeven aan vrije tijd. Men wordt er ahw voor afgestraft. Het is alsof het niet mag. Velen van jullie soortgenoten lijden daaronder. Het is alsof ik niet tot een roeping kom zegt de één. En de ander zegt: ik wil wel iets beeldhouwen, maar het lukt nooit. Wat in mijn geest gebeiteld staat krijg ik niet in de vorm gegoten. En nog een derde zegt: al mijn tentoonstellingen blijven onbeantwoord. Ik wordt verguisd en de grond ingeboord. Niemand begrijpt mijn boodschap. Dat is Rasi taal. Het is typisch en het is goed voor het non-ego.
Want stel dat men de hemel wordt ingeprezen en dat men zoals een Da Vinci, die ook van jullie soort was, alle uitvindingen en creatieve uitingen in de wereld kon brengen, dan gaat men over met een enorme verwaandheid. En dat is wat ten strengste moet vermeden worden. Wij zeggen niet dat Da Vinci verwaand was, dat was hij niet. Maar bijna was hij het geworden. Bijtijds heeft hij zich herinnerd dat hij een engel was. Wij zijn het hem persoonlijk gaan vertellen om de eenvoudige reden dat dat de enige ingreep was om ervoor te zorgen dat hij zijn werk enerzijds niet opgaf maar aan de andere kant er toch niet aan ten onder ging. Na elke uitvinding zag hij de groteskheid daarvan en de moorddadige gevolgen die het kon hebben. En vele van zijn uitvindingen heeft hij dan ook vervalst. Jullie vervalsen ook zonder het te beseffen bepaalde uitingen in jullie leven. Vervalsen is niet het goeie woord, jullie maken ahw je eigen zelf onklaar opdat niet in de verkeerde handen zou vallen. Jullie zijn niet geprogrammeerd om grote uitvinders te worden. Maar om op te roepen zodat de soortgenoten zich weer opstellen in kringen en Commanders durven zijn.
Tot zover deze mededeling, wees gezegend op jullie weg en besef dat de Wohan nu de kop opsteken in de Esseense natie, of moeten we zeggen dat de Essenen de kop opsteken in de Wohan-natie want dat is correcter. De Essenen zijn uitgeroeid, maar de Wohan-inhoud, dat blauwdrukmateriaal kan niet verloren gaan. Er is zo sterk over gewaakt doorheen de tijdperken dat er voldoende menselijke takken op aarde dit kostbare erfgoed genetisch bij zich dragen zowel als geestelijk.
Tot weerziens.
Yemeneh, Cherimèr en Cheruwijn
Gegroet.
Onze Schaduw
(Extract uit een belichting van 5/2/2009 – met dank aan L. Van de Velde)
Hogerop zijn velen verlicht, tout court. Zonder meer zijn ze verlichte meesters. Want op goede momenten van afstemming komen er fraaie ideeën en mooie inspiraties naar beneden. Maar het ‘leven’ is een ander paar mouwen. Het ‘leven’ betekent dat men het in de vorm brengt, dat men uitkomt voor zijn idee, dat men een levende getuige wordt maar ook dat alles wat men aanraakt doordrongen wordt van die bezielende kracht waar men voor staat. Dat is een leerschool die aangereikt is in verschillende benaderingen om op deze manier de gegevenheid te vormen, in de betekenis van een educatie of opleiding. Want blijkbaar is men het verleerd te leven naar die idee dat men in zich ingeplant heeft gekregen.
Die ingeplante idee is een blauwdruk. Wij noemen dat een imprimum. Een imprimum is een prachtige blauwdruk met instructies, kwaliteiten en hoedanigheden die samen een prent in iemand neerzetten. En men kan deze prent activeren en daarnaar gaan leven. En stap voor stap wordt dan alles geïmplementeerd wat nodig is om een héérlijk bestaan te leiden. Tot zelfs een dak boven je hoofd, een goede opdracht die een job kan worden of een andere taak waarin men zichzelf kan waarmaken en alle materiële dingen van bestaan worden spelenderwijze aan deze implementering toegevoegd.
Waar is men dan zo bang voor? Wij vermoeden dat dit het innerlijk complot moet genoemd worden. Er is een soort van innerlijke boycot in elke mens die maakt dat hij zijn grootheid niet in de vorm kan zetten. Tenzij daar een schaduw wordt voor ingehuurd. En hier komen we bij een biezonder penibel statement. Elke mens is licht en schaduw. Als hij deze beide kan verenigen in zichzelf en deze kan laten samenwerken dan wordt hij “meester”. Zolang hij bang is voor zijn schaduw, wordt hij niet meester van zichzelf en kan hij zijn meesterschap niet naar buiten brengen. Wij merken dat de doorsnee spirituele mens op de loop gaat voor zijn schaduw. Bang als hij is dat deze schaduw nog steeds ingehuurd is door de tegenstander die men niet met name noemt. We kunnen dus zeggen dat het kwaad bestaat maar eigenlijk krijgt het alleen maar bestaansrecht in de angst ervoor. Als dusdanig bestaat het kwaad niet in een vormgeving. Er bestaat een vernietigende kracht in God, maar deze is dienstbaar aan de creatie. Ze moet aangewend worden wanneer er vernieuwing moet plaatsgrijpen, wanneer er verandering moet komen. Dan is dat een nuttige kracht. En zo gaat het met alle schaduwkrachten die moeten ingezet worden als dienstbare krachten. Voor de creatie en vooruitgang.
Wij merken dat in spirituele en vooral in gelovige middens de schaduwzijde nog steeds belicht wordt als iets wat te mijden valt als de pest. Maar daardoor juist komt men niet in creatie. Want men moet soms “tabula rasa” maken met zaken die niet meer dienen vooraleer men met iets compleet nieuws kan beginnen. Maar de mens is er niet klaar voor. Welke stap moet er dus nog genomen worden? De eerste stap is het aanvaarden van licht en schaduw en daar een eenheid tussen breien en de angsten afleggen, …
Gegroet, Zoltan verwoordde.